Posts tonen met het label Geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geschiedenis. Alle posts tonen

zondag 24 augustus 2014

Meten is weten (en wie wat bewaart, die heeft wat)

En toen kreeg ik een jaarverslag van de Vereniging tot instandhouding van een Consultatiebureau voor Alcoholisme in de provincie Friesland in handen. Het verslagjaar is 1955.

Dat waren andere tijden. Alle vier medewerkers werden bij naam genoemd: een zenuwarts, een directeur, een reclasseringsambtenaar en een zuster voor maatschappelijk werk. Deze medewerkers hadden tezamen een caseload van 261 patiënten. Het valt op dat het gros van de patiënten uit de stad Leeuwarden afkomstig was. Daarnaast waren het vooral de Friese Wouden waar werk aan de winkel was.
Ook tegenwoordig komt absoluut en procentueel gezien een groot aantal van de klanten van de Friese verslavingszorg uit Leeuwarden. Maar de Friese Wouden zijn niet meer oververtegenwoordigd in de statistieken. De verslaggever van 1955 relativeert trouwens de cijfers: 'Men hechte overigens aan deze cijfers, die in grote trekken overeenstemmen met die van vorige jaren, geen overdreven betekenis, daar in vele gevallen de activiteit van de plaatselijke politie een grote rol speelt'.
Hoewel verslavingszorg nooit gemakkelijk is geweest, waren de problemen in 1955 wel overzichtelijker. Drugs-, gok- en gameverslaving waren onbekend en van de 261 patiënten waren er slechts vier vrouw. Maar sommige zaken zijn hetzelfde gebleven. De meeste alcoholisten waren in 1955 tussen de 40 en 49 jaar, nu is de gemiddelde Friese alcoholist 46.
Hoe het heden ten dage is gesteld met het beroep van de cliënten van de verslavingszorg, hun burgerlijke staat of de kerkelijke stroming waarbij zij aangesloten zijn, valt niet te achterhalen. Dat werd in 1955 allemaal keurig bijgehouden.
Het speerpunt voor de komende jaren ligt wat de verslaglegger betreft bij de jeugd. Bij hen bestaat het gevaar ‘dat een tot dusverre incidenteel drankgebruik op de duur zal omslaan in drankzucht’.
En dan de financiën. Die baarden het bestuur in die tijd ook al zorgen. Dat had onder meer te maken met tegenvallende inkomsten in de categorie ‘contributie en donatie’: slechts 331 gulden kon  de vereniging op de exploitatierekening noteren. Op een bij het jaarverslag gevoegd kaartje kon de lezer zijn gegevens invullen als hij lid/donateur wenste te worden van de vereniging. Van deze actie had men blijkbaar goede verwachtingen, want de begroting voor 1956 ging uit van 700 gulden contributie. Die begroting paste overigens op een half A5-je.
 

Bronnen:
- Jaarverslag 1955 van de Vereniging tot instandhouding van een Consultatiebureau voor Alcoholisme in de provincie Friesland
- Kengetallen VNN gemeenten Provincie Friesland 2013

vrijdag 29 november 2013

Acht bewoners, zeven honden en een leguaan

Eelde, landgoed de Oosterbroek. In juli 1973 kwam Peter Dijkhuis in dienst van de stichting Nieuw Hoog Hullen. Hij kreeg de leiding over Driehaas, een acroniem van 'Halfweg Hoog Hullen'. De bewoners (pas veel later zouden ze 'cliënten' worden genoemd) hadden er ofwel net hun behandeling afgerond, ofwel wachtten tot ze op Hoog Hullen terecht konden voor hun behandeling. “Je kunt je voorstellen dat die mix van mensen soms de nodige onderlinge spanning met zich meebracht, en dat deed het ook”, zegt Peter.

Hoog Hullen was eind jaren zestig een grotendeels zelfvoorzienend sanatorium voor alcoholisten. “Waar nu het sportveld is, was destijds een grote tuin, waarin de bewoners zelf groenten verbouwden onder leiding van een tuinman,” herinnert Peter zich. Ook hadden ze koeien, die mochten grazen in het weiland van de buurman. Eens per jaar kwam een aardappelboer uit de omgeving de kelders en een bunker bij Hoog Hullen vol laden met een voorraad aardappelen voor het hele jaar. Tussen het werken door volgden de bewoners therapie, die behalve aandacht en onthouding bestond uit rust, reinheid en regelmaat.
 
Maar er was een nieuwe wind gaan waaien in de psychiatrie, die ook Hoog Hullen bereikte. De directeur stond toe dat er meer democratie kwam op Hoog Hullen. Het werd een democratische therapeutische gemeenschap (TG), naar Amerikaans voorbeeld. Elke dag begon met een algemene vergadering met bewoners en stafleden. Omdat democratie ook eigen verantwoordelijkheid impliceert, werd de privacy van de bewoners voortaan gerespecteerd en mochten de stafleden niet meer zomaar de kamers van bewoners betreden. De bewoners wezen uit hun midden een leider aan en als zij onderling besloten dat bewoners een televisie op de kamer mochten hebben, dan gebeurde dat. De tuinman die voorheen de bewoners begeleidde bij het werken in de tuin, zwoegde nu in zijn eentje, terwijl de bewoners op het terras zaten toe te kijken en nadachten over hun therapie.
 
“Therapie was heilig, maar al het andere was bespreekbaar”, vat Peter de mentaliteit van destijds samen.
 
Dit nieuwe model had zo zijn gevolgen. De rol van de stafleden veranderde. Verpleegkundigen hadden niet meer de leiding, maar waren verworden tot een soort bewakers van de mazen in de democratie. Peter zag dat sommige personeelsleden werden geïntimideerd door bewoners. Ook niet alle bewoners hadden baat bij het democratische model van de TG: vaak werd de meest manipuleerbare bewoner als leider gekozen. “Je moet niet onderschatten hoe psychopatisch het gedrag van verslaafde mensen kan zijn”.
 
Twee ontwikkelingen kwamen samen. Begin jaren '70 raakten veel jongeren verslaafd aan heroïne en speed. Het JAC (Jongeren Advies Centrum) wilde een afkickboerderij beginnen voor verslaafde jongeren. Op Driehaas tekende zich ondertussen een steeds scherper contrast af tussen de (oudere) alcoholverslaafden en de (jongere) drugsverslaafden. Na een zoveelste conflict waren de 'junkies' het zat en namen hun intrek in een leegstaande boerderij naast de Driehaas. Zij wilden voortaan vanuit daar het therapeutische programma gaan volgen.
 
De staf en directie van Hoog Hullen durfden het experiment aan. Afgesproken werd dat de nieuwe bewoners de boerderij zelf zouden verbouwen tot een leefbaar pand. Maar de bewoners hadden geen zin en de klusjesman, de tuinman en de schilder die ze zouden helpen, klaarden het karwei met z'n drieën. De bewoners hadden intussen besloten dat huisdieren waren toegestaan en zo kwam het dat de boerderij behalve door de acht verslaafden, werd bewoond door zeven honden en een leguaan.
 
De bewoners gingen onderling relaties aan en het taboe op drugs werd ook niet meer zo streng gehanteerd. “Therapie was nog steeds heilig, maar sommige bewoners moesten eerst iets gebruiken om de therapie aan te kunnen”, zegt Peter.
 
“Er was geen structuur. Op zeker moment zagen stafleden én bewoners in dat er iets moest veranderen”.
 
Men keek met een schuin oog naar Den Haag, waar kort tevoren de Emiliehoeve opgericht. Dit was een therapeutische gemeenschap, maar zonder drugs en mét (meer) structuur. Aan bewoners werden meer eisen gesteld en ze werden door de staf aan hun afspraken gehouden. Dat wilden ze in Eelde ook wel proberen.
 
In 1974 startte de eerste 'marathongroep'. Het was een zwaar programma, vol met confrontaties ('encounters') en (fysieke) beproevingen. Het werd uiteindelijk maar door enkele bewoners afgemaakt. Toch was men het er na afloop over eens dat dit de toekomst van de TG was. Door bewoners en staf werd de naam Breegweestee gekozen, naar een herberg uit Tolkiens In de ban van de ring. Een bewoner ontwierp het logo: een boom, aan de ene kant bladerloos en aan de andere kant vol in blad.
 
In 1975 mochten Peter en een collega naar een internationale 'proef-TG' in Beieren. Onder leiding van de Britse en Amerikaanse grondleggers van de drugsvrije TG werden hulpverleners uit de hele wereld geschoold in de methodiek door een maand lang te verblijven in een tijdelijke, speciaal voor dat doeleinde opgerichte TG. De ervaringen die ze daar opdeden, namen ze mee terug naar Eelde.
 
“Door de structuur en de rust die het nieuwe programma bood, kregen de bewoners weer meer behoefte aan diepgaande gesprekken en therapie”, zegt Peter. De boerderij werd verder verbouwd. “Er was in het kader van de therapie van alles te doen in de Breegweestee: schilder- en poëziecursussen, weven, muziek maken... en het mooie was: als de bewoners bezig waren, kon ik zelf even naar huis.” Het intensieve werken op de Breegweestee was hem gaan opbreken. Hij had een jong gezin en kwam veel te weinig thuis. De afgebakende werktijden waren dan ook één van de redenen dat Peter in 1976 op Hoog Hullen ging werken. Daar konden ze zijn ervaringen met de drugsvrije TG gebruiken om een vergelijkbaar model op te zetten. Maar uiteindelijk voelde hij zich niet thuis bij de manier waarop de beginselen van de TG op Hoog Hullen werden toegepast en ging in 1981 weer terug naar de Breegweestee.
 
In datzelfde jaar verhuisde Peter met zijn gezin naar een leegstaand huisje op het terrein op de Oosterbroek. Zo was praktisch geregeld dat Peter dichter bij vrouw en kinderen was en er 's nachts altijd een staflid in de buurt was.
 
Peter beschouwt de jaren 1982 tot 1984 als de hoogtijdagen van de Breegweestee; toen maakte zo'n 60% van de bewoners het programma af. De samenwerking met de andere TG's in het land was een constante factor: er waren gezamenlijke sportdagen en themaweekenden, altijd met een therapeutische opzet.
 
In de jaren die volgden gingen de ontwikkelingen verder. Soms bleken die verbeteringen, soms ook niet. De therapieën werden verder geprofessionaliseerd en de staf ook. Rode draad was dat er steeds ruimte bleef voor experimenten, nieuwe behandelvormen en therapieën. “Achteraf zou ik sommige dingen anders hebben gedaan”, zegt Peter. “Aanvankelijk ontdekten we door schade en schande dat behandelingen die in de reguliere psychiatrie zinvol waren, niet werkten in de verslavingszorg. Wat voor de één bovendien een goede behandeling is, werkt voor de ander helemaal niet.” Ook ziet hij daarin achteraf duidelijk de rol van de hulpverleners: “Terugval hoort bij verslaving. De machteloosheid die dat oproept bij hulpverleners maakt dat zij de neiging hebben een methodiek die ooit voor iemand heeft gewerkt, ook op alle anderen te willen toepassen. Of om cliënten in hokjes te willen plaatsen. Sinds de jaren '80 is steeds meer wetenschappelijk onderzoek gedaan naar verslaving en zo is ook steeds meer duidelijk geworden over de behandelmethoden die wel en niet werken”.
 
Vanaf 1987 werkte Peter op verschillende plekken in de organisatie. Hij is tot zijn pensionering in 2007 op de Oosterbroek blijven wonen. Nu geniet hij in een Groningse woonwijk van zijn pensioen. “In mijn laatste jaren in de verslavingszorg zag ik de zakelijkheid terugkomen die we in de jaren '70 probeerden te doorbreken. Vroeger was hulpverlenen een totaalpakket waarin je alles deed wat er voor een cliënt moest gebeuren. Nu moet je ieder extra telefoontje dat je pleegt, verantwoorden”. Peter heeft zijn eigen visie op verslavingszorg: “Clean worden kan in 4 weken. Maar de begeleiding achteraf moet intensief en langdurig zijn. En terugval: dat hoort er meestal bij. Daar moet je van tevoren al afspraken over maken.”

zondag 24 november 2013

Winschoter consultatiebureau voor drankzuchtigen

De tijden van oorlog, van mobilisatie en van groote misdadigheid zijn weliswaar voorbij; de samenleving – zou men willen zeggen – is tot rust gekomen. Toch is het er verre van af, dat de vooroorlogsche tijden, waarin jaar op jaar zoowel het drankgebruik als de misdadigheid dalende cijfers gaven, zijn teruggekeerd. Noch altijd immers verkeert de maatschappij in een toestand van crisis, die een noodlottigen invloed op de bevolking uitoefent. En nog altijd zijn er factoren in overvloed aanwezig, ook in het gebied van ons Bureau, die in eenig opzicht tot drankmisbruik en tot misdadigheid leiden. Enkele factoren, de groote geldruimte, de uitvoerverboden, de militaire uitzonderingstoestanden en ook de vluchtelingenstroom zijn weliswaar zo goed als uitgeschakeld, maar de algemeene demoralisering, de wankelmoedigheid, de onverschilligheid voor ideële zaken, alsook de materieele nooden teweeggebracht door werkeloosheid, financiëele debacles e.d. zijn van zoo ernstigen aard, dat het wel zeer te onpas zou zijn, als men nu de Reclassering niet gaf, datgene wat haar rechtens toekomt : de volledige geldelijke en zedelijke steun van overheid en politiek.

Kom hier eens om in een jaarverslag van een huidige organisatie voor verslavingszorg of reclassering. Dergelijke analyses tref je daar niet meer in aan. De secretaris van het Winschoter Consultatiebureau voor Drankzuchtigen tevens Reclasseringsbureau scheef dit in zijn jaarverslag over 1921.

Op mijn speurtocht in de archieven van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam en bij het Groningse archief trof ik twee jaarverslagen aan over een bureau in Winschoten dat je, net als veel toenmalige bureau’s elders, kunt beschouwen als een voorloper van wat later bekend werd als CAD (Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs). Ik heb nooit geweten dat er zo’n organisatie in Winschoten is geweest. Ook Jaap van der Stel vermeldt het niet in zijn boek over de geschiedenis van de Nederlandse alcoholzorg. In het tweede jaarverslag gaat het over de jaren 1921 en 1922 en in het derde jaarverslag over de jaren 1922 tot 1924. Meer jaarverslagen heb ik niet kunnen vinden. Om de geschiedenis van dit Winschoter bureau goed in kaart te brengen zou ik natuurlijk graag over meer informatie beschikken.

Het Bureau in Winschoten is in 1917 begonnen blijkt uit een in het derde jaarverslag opgenomen statistiek. In 1917 waren er 24 behandelde gevallen en in 1924 tot juni 39. Ze komen van Termunten tot Vlagtwedde en van Hoogezand tot Nieuweschans. Opvallend is dat er geen mensen komen uit Stadskanaal, Musselkanaal en Ter Apel; deze plaatsen behoorden kennelijk niet tot het toenmalige arrondissement Winschoten.

In 1922 werden 102 gevallen in behandeling genomen. Daarvan kwamen 18 uit eigen beweging, 1 werd gezonden door kennissen en 19 door de familie. Het verslag bevat een lange lijst met vertegenwoordigers per gemeente in het arrondissement. Deze verwezen in 1922 13 gevallen. De directeur van het Huis van Bewaring te Winschoten maar liefst 23.

Van de 102 gevallen waren er 71 reclasseringsgevallen en 31 drankzuchtigen. Voor 60 van de 71 reclasseringsgevallen dreigde een vonnis wegens een misdrijf, in meerderheid wegens diefstal of mishandeling.

Met de 102 gevallen werden de volgende resultaten bereikt. Daar werd netjes bij vermeld op dit oogenblik.

Gelukt
30
29%
Voorlopig gelukt
18
18%
Thans nog ingesloten, onbekend of niet verder behandeld
32
31%
Mislukt
22
22%

Voorwaar geen slecht resultaat. Cijfers zeggen wel wat, maar voorbeelden spreken meer.

De enige effectieve maatregel is geheelonthouding. Daarvoor is ondersteuning van andere geheelonthouders nodig en moet men ook zelf gaan bijdragen aan de onthouding van anderen. Weken, maanden, soms jaren hebben ze de drank met afkeer verwenscht, vervloekt, omdat ze overtuigd waren dat het de drank was waarvoor ze al dien tijd moesten doorbrengen in een cel, doch ook bij de beste voornemens is terugslag voorgekomen. Het is onmogelijk voor die ongelukkigen dat zij matig kunnen drinken. Voor hen is noodzakelijk geheelonthouder te zijn en zo veel mogelijk in geheelonthouderskringen te worden opgenomen en in de voorste geleden te worden geplaatst, om een werkzaam aandeel te nemen in de drankstrijd.

Dat besef dat de inzet voor onthouding na de behandeling onverminderd door moet gaan en dat de alcoholist daarbij de steun van lotgenoten hard nodig heeft lijkt in de loop der tijden verloren te zijn gegaan. De moderne hulpverleners brengen hun cliënten maar hoogst zelden in contact met zelfhulpgroepen. En deze zijn er in Nederland dan ook veel minder aanwezig dan in de meeste andere landen.

Het aantal veroordelingen voor openbare dronkenschap neemt gedurende WO I af, zowel in het arrondissement Winschoten als in de rest van Nederland. In 1919 is er weer een toename, maar blijven de aantallen wel lager dan voor de oorlog. In 1920 is er een explosieve toename van bijna 100% ten opzichte van het voorgaande jaar. In al deze jaren zijn de cijfers voor het arrondissement Winschoten hoger dan voor Nederland. Het grootste verschil is er in 1920: in Nederland 4,80 veroordelingen per 1.000 inwoners en in het arrondissement Winschoten 6,12.

Tot slot beslist niet onbelangrijk. Voorkom dat kinderen al vroeg het pad op gaan van alcoholisme. Ook hier hield het Winschoter bureau zich mee bezig. In één van de jaarverslagen trof ik deze opvoedkundige flyer aan.


maandag 28 oktober 2013

Het Kric (1977)

Leeuwarden, diep in de 70-er jaren. Een groep langharige jongeren dwingt de gemeente een plek af. Een plek voor jongeren, waar vooral veel muziek gemaakt zal worden. In de Schoolstraat in Leeuwarden, achter de Harmonie, opent jongerencentrum Hippopotames in 1975 haar deuren. Hippo in de volksmond. Al snel bleek dat veel jongeren aan de drugs waren en hierdoor in crisis geraakten. Ze konden dan nergens heen, want de 'gevestigde instellingen' waren niet erg populair bij jongeren. Of niet goed toegankelijk.
Men wilde een laagdrempelig crisiscentrum, liefst 24 uur bereikbaar, vooral voor jongeren met drugsproblemen. Er werd contact gezocht met de Agogische Academie Friesland (A.A.F), de sociale academie, die tot ver in de tachtiger jaren bleef bestaan en lange tijd een supersoft geitenwollen sokken imago had.

En ja hoor, de A.A.F kwam over de de brug. Of liever gezegd, de studenten.
In de Leeuwarder Courant van 26 februari 1977 werd de oprichting van het Kric gemeld. Het Krisis- en informatiecentrum, waar velen het vak geleerd hebben, zo ook ik. Maar dat  was later. In 1977 stonden Fred Snijders en Foeke van der Woude in de krant, met foto,en legden uit dat het Kric voorlopig beperkt open zou zijn, met vrijwilligers, wiens belangrijkste taak was het opvangen en doorverwijzen naar andere instanties.Om de bereikbaarheid toch redelijk te laten zijn, werd de etage boven de huiskamer van het Kric verhuurd aan een vrijwilliger die daar woonde en in noodgevallen wist wie hij kon bereiken. Subsidie werd niet aangevraagd. Je mocht eens afhankelijk worden van de eisen van de subsidieverstrekker.

Er kon niet overnacht worden bij het Kric. Wel kon iedereen langskomen in de huiskamer, 'ook als men niet geflipt was'.

Na 4 maanden berichtte de Leeuwarder Courant, dat er meer vrijwilligers nodig waren. Er waren toen al 60 tot 70 'jeugdige bezoekers'  langs geweest op de momenten dat het Kric open was: de hele donderdag en zondag van 12 tot 21 uur. Fred Snijders is ook hier aan het woord en meldt onder anderen, dat het Kric aan straathoekwerk zal gaan doen om actief jongeren te bereiken. Grappig detail is, dat één van de latere voortrekkers van het Straathoekwerk op de Weaze, socioloog Eddie de Jong, toen al in het bestuur van het Kric zat. Leeuwarden was klein in die jaren en de scene al helemaal. Jongeren en drugsgebruik was in de scene bijna synoniem. Fred en Foeke heb ik, in 2013, gegoogeld. Helaas zonder resultaat.

De krant verhaalt, hoe het gekomen is dat er in 1979 wel overnacht kon worden in het Kric. Hippo had vanaf 1976 een zogenaamde Sleep In, voor rondtrekkende jongeren in Europa. Dat was in de 70-er jaren heel hip om te doen. Het waren immers ook de tijden van de Magic Bus; voor een prikje zat je in een ander land.
In 1979 had het Kric blijkbaar haar ruimte aangeboden om de Sleep In te huisvesten. Was het zo dat ze, wellicht na een verbouwing door Hippo, de slaapzalen na het seizoen in hoopten te pikken voor crisisbedden? En waar vingen ze hun klanten op als hun huiskamer vol bedden stond?
Bron: Leeuwarder Courant 30-06-1979
Helaas, op 1 december 1979 slecht nieuws; het Kric moest uit haar pand aan de Schoolstraat, omdat Hippo die ruimte zelf wilde gaan gebruiken. In de krant wordt nu gesproken over de (in latere jaren nog steeds gebruikte) horizontale structuur van besturen binnen het Kric. Iedereen had even veel te zeggen. Resultaat was, dat de buitenwereld niet altijd wist wie aan te spreken was en dat was dan weer lastig voor onderhandelingen met de gemeente over subsidie. Die er in 1979 nog steeds niet was.
De leden, toen 30 in getal, betaalden contributie aan de vereniging Kric. Telefoontjes, koffie en thee werden ook door de leden zelf betaald. Dat kon toen nog. Idealisme en strijdbaarheid vierden nog hoogtij. Ook in de doelstelling van het Kric; er werd niet meer gesproken over het opvangen van jongeren, maar over ' hulp te verlenen aan hen die niet terecht willen of kunnen bij bestaande en erkende hulpverleningsorganisaties'.                                                                                                            
Er waren 7 vrijwillige hulpverleners aanwezig die 'telefonies altijd bereikbaar waren' en geen loze taal spraken als ze het hadden over het benaderen van hulpvragers als mensen, en een thuisidee te willen geven.

Ruerd Swierstra en Johan van Oyen, hulpverleners van het Kric en woningdelend in Leeuwarden, hadden zelf een probleemgeval in huis genomen. Hulpverleners overnachtten ook wel eens in het pand aan de Schoolstraat om een klant die het nodig had, bij te kunnen staan.
Misschien had Hippo dus inderdaad wat stapelbedden laten staan.

Oh 70-er jaren. Toen het nog niet ging over productie, over of een voorziening bedrijfsmatig uit kon, en het niet raar was als je een mens met problemen mee naar huis nam. En dat die klant dan ook niet op de gedachte kwam, je aan te klagen vanwege machtsmisbruik of iets dergelijks. Er waren toen trouwens ook helemaal geen loketten of procedures waar je die klachten kwijt kon volgens mij. Ik denk dat dat soort klachten domweg nog niet bestonden.
Wat een wereld van verschil met 2013.

Maar goed, ze moesten eruit per 1 januari 1980.
Pas in 1981 verhuisde het Kric naar een pand aan de Uniabuurt, waar ik 3 jaar later zou komen werken. Maar dat wist ik nog niet in 1981.


(Wordt vervolgd)

zaterdag 19 oktober 2013

Bajeskampen

Bij deze term denkt u waarschijnlijk aan een gevangenis. Het heeft er inderdaad mee te maken, maar het is het beslist niet.

Zo’n 10 jaar lang zijn er weken georganiseerd met en voor mensen met veel detentie-ervaring, met weinig sociale contacten en weinig mogelijkheden er eens een paar dagen leuk uit te zijn. Dit is begonnen met een kampeer week in Glimmen in 1976.
Deze eerste kampeer week is een initiatief van de Bond Wets Overtreders (BWO), zo blijkt uit het opgemaakte verslag, en is gehouden van 23 t/m 28 augustus in de grote tuin van woongemeenschap de Kooijkamp in Glimmen. Mensen van de Kooijkamp en van de BWO werden door gevangenispredikant Wichert Hoekert bij elkaar gebracht om dit kamp te organiseren. De week bestaat uit werken en ontspannen. Als dank voor de gastvrijheid van de woongemeenschap wordt een waterleiding gegraven in hun tuin. We gaan zwemmen, zeilen, roeien, fietsen, houden kampvuren, praten met gasten en sluiten af met een evaluatie. Het is ook echt een kamp van de BWO: op 26 augustus zitten we allemaal
's middags om 5 uur voor de TV om te kijken naar het proces tegen Prins Bernhard over Lockheed. In de meningswisseling na afloop wordt het idee geopperd hem uit te nodigen lid te worden van de BWO.

Opmerkelijk is dat de voorbereidingsgroep besluit in principe geen harddrugverslaafden toe te laten, omdat ze zich onvoldoende deskundig acht eventueel daaruit voortkomende problematiek op te vangen. Dit besluit wordt niet strikt uitgevoerd en ik zie nog de beelden voor me van een afkickende verslaafde die kotsend in de brandende zon dapper door gaat met zijn graafwerkzaamheden. Ik heb hiervoor nog steeds diep respect!
We wisten toen nog niet dat we begonnen waren aan iets dat zo’n 10 jaar zou door gaan.

Heel opvallend is de opkomst van de harddrugproblematiek. Enkele alcoholisten keken in deze eerste kamp week erg neer op de paar aanwezige harddrugverslaafden. Tijdens het tweede bajeskamp was een deel van hen zelf harddrugverslaafde geworden en hadden we het bajeskamp wel kunnen afgelasten als we als regel hadden gesteld dat harddrug-verslaafden niet mee zouden kunnen.

In dit tweede bajeskamp is er een optreden van het Groningse vormingstheater “Werk in uitvoering”  onder leiding van Jos Thie met stukjes uit hun nieuwste productie “Jatwerk”.
Tot en met 1979 wordt het bajeskamp jaarlijks in Glimmen gehouden. Daarna verhuist het kamp naar het terrein van een andere relatie van Wichert Hoekert in het Drentse Aalden. Ook dat is weer een paradijselijk plekje. Het programma verandert en de samenstelling van de deelnemers eveneens.

Uit het verslag van 1980:
“Het laatste jaar legde de voorbereidingsgroep zich er rekenschap van af, dat in de nederlandse gevangenissen verhoudingsgewijs veel mensen zitten, die niet blank zijn. Op zich zegt dat nogal wat over ‘ons’ sociale- en rechtssysteem Op dit punt is veel te ondernemen. We wilden ons echter konsentreren op de meer dagelijkse ervaring van dubbele discriminatie (op grond van huidskleur/ras en op grond van het feit dat je gezeten hebt). “
Er komen ook Molukse en Surinaamse deelnemers en er zijn optredens van Molukse en Surinaamse bands en koren. Het verslag eindigt met de heroïsche fietstocht er naar toe: “Toelichting: Onder geestdriftige leiding van Wichtert Hoekert werd 25 kilometer omgereden door de fietsers terwijl het goot van de regen.”  En, met een keurig financieel overzicht. Er is door giften en bijdrages van de deelnemers ruim 6.000 gulden opgehaald en er blijft bijna 2500 gulden over.

Daarna heb ik in mijn archief nog de uitnodiging voor het 10de bajeskamp in 1984. Eén van de ondertekenaars van de uitnodiging is Wichert Hoekert, die als enige alle kampen mede heeft georganiseerd.
Zou er na 1984 nog een bajeskamp zijn geweest? Jammer toch dat zo iets er nu niet meer is.

zondag 29 september 2013

Ús Blau Hiem


Op de heide bij Appelscha kon men in de jaren ’20 de tenten van kamperende jongeren aantreffen. Overdag maakten de jongens en meisjes stevige wandelingen in de natuur en 's avonds, na een diner van karnemelksepap met brood, was er vioolspel bij een kampvuur of hield iemand een inleiding over de wonderlijke verschijnselen der natuur. Het waren de leden van Gewest I van de Jeugdbond voor Onthouding (JVO). Hoewel de JVO-ers het tijdens deze kampeerweekenden reuze naar de zin hadden, keek het bestuur van Gewest I uit naar een kamphuis waar de jongeren ook met slecht weer terecht konden. 

Aan de Oude Willem, een zandweg van Appelscha naar Smilde, stond het Jongenshuis al een tijdje leeg. De eigenaar van dit voormalige opvoedingsgesticht, Staatsbosbeheer, zocht een nieuwe huurder. In een overeenkomst waarin de Nederlandse Jeugd Herberg Centrale (NJHC) huurder werd en de JVO onderhuurder, werd in het voorjaar van 1930 vastgelegd dat het witte huis met het rieten dak voortaan het eigen kamphuis van de JVO was. Het kreeg de naam Ús Blau Hiem. ‘Ons Blauwe Erf’, een plek waar jongens en meisjes in een veilige omgeving en onder toezicht vakantie konden vieren.  


Interieur rond 1935
Dat toezicht werd gehouden door de herbergvader- en moeder, een seizoensbaan voor echtparen, meestal ondersteund door één of meerdere assistenten. In de zomermaanden vingen zij de jongeren op, schilden iedere dag 100 kilo aardappelen en organiseerden sport en spel. ’s Avonds werd er rondom het kampvuur gezongen en muziek gemaakt. Ook was er een openluchttheater. Wanneer het initiatief niet vanuit de jongeren zelf kwam, namen de herbergvader en -moeder het voortouw. Want het doel van Ús Blau Hiem was jongeren met elkaar in contact te brengen in een harmonieuze en veilige omgeving, zodat men zijn kinderen met een gerust hart op vakantie kon laten gaan. Dat jongens en meisjes in aparte slaapzalen werden ondergebracht en dat alcohol uit den boze was, droeg bij aan de gemoedsrust van hun ouders. 

Ús Blau Hiem bood onderdak aan schoolklassen, verenigingen en aan individuele trekkers. Het overgrote deel van de gasten kwam uit Nederland, maar soms waren er ook gasten uit Duitsland, Denemarken of Zwitserland. In de oorlogsjaren was het een toevluchtsoord voor kinderen uit Rotterdam en gezinnen die uit Limburg waren geëvacueerd. Na de oorlog werden er twee houten kamphuizen bij gebouwd en in de jaren zestig werd Ús Blau Hiem aangesloten op de waterleiding en het elektriciteitsnet. Om dit soort aanpassingen te bekostigen, werden door de jaren heen vele collectes gehouden onder de leden van de JVO. Het aantal gasten nam in de loop der jaren echter langzaam af: steeds meer jongeren gingen op vakantie naar het buitenland. Gelukkig waren er altijd scholen of verenigingen die behoefte hadden aan de groepsaccommodatie en de groene omgeving die Ús Blau Hiem te bieden had. Ook kwamen er kampeerplaatsen op het veld achter de gebouwen, zodat ook mensen die er met tent of caravan op uit trokken, op Ús Blau Hiem terecht konden. Zolang ze maar niet verwachtten dat ze er bier of jenever konden drinken. 

In 1972 kwamen de beginselen van Ús Blau Hiem flink onder druk te staan. De NJHC, waar Ús Blau Hiem nog steeds onderdeel van uitmaakte, omarmde de tijdgeest en besloot 'de verkoop en consumptie van licht alcoholische dranken' in haar jeugdherbergen toe te staan. Na hevige reacties vanuit de JVO-achterban en een interne discussie besloot het bestuur van Ús Blau Hiem als zelfstandige stichting verder te gaan. De herbergvader en herbergmoeder werden 'beheerders' en in 1976 werd Ús Blau Hiem verbouwd en verder gemoderniseerd. Het werd een camping en groepsaccomodatie als vele anderen, maar dan alcoholvrij.  

“Na die verbouwing in de jaren '70 is er qua onderhoud nauwelijks nog iets gebeurd,” zegt Annie Postma, samen met haar man de huidige eigenaar. “We hebben er heel veel aan moeten doen”. Ús Blau Hiem was een wat aftandse camping die draaide op gasten die er al sinds jaar en dag kwamen. “Toen het bestuur van de stichting besloot het recreatiecentrum van de hand te doen, hebben ze dat eerst geprobeerd onder de voorwaarde dat het alcoholvrij zou blijven. Maar niemand wilde het hebben”. Pas toen Ús Blau Hiem niet meer blauw hoefde te blijven, wilden Annie en haar man zaken doen. Dat was in 2011. De naam Ús Blau Hiem moest vanzelfsprekend van de borden verdwijnen. Annie vond dat niet erg. Na een grondige verbouwing doopten zij hun bedrijf Boscamping Appelscha. 

Dat de camping ooit blauw was, is nog steeds merkbaar. In de volksmond heet het nog steeds Ús Blau Hiem en geregeld moet Annie potentiële gasten geruststellen dat ze echt wel een biertje mogen drinken. Maar het imago van de camping heeft ook voordelen. Sommige scholen en verenigingen komen al sinds mensenheugenis naar Appelscha. “Dat zijn altijd rustige groepen, die niet of weinig drinken. Studentenverenigingen komen hier bijvoorbeeld nooit”. En daar is Annie niet rouwig om. Maar als ze zouden komen, zouden ze in het Bospaviljoen gezellig aan de bar kunnen komen hangen. Ze hebben er tegenwoordig Veltins Pilsener op de tap.

 

Bron: Gedenkboek ’50 jaar Ús Blau Hiem’ (1980)

zaterdag 31 augustus 2013

De Molukse verslavingszorg (2)


In het Assen van eind jaren zeventig werd het Moluks Scholings Kollektief door omstandigheden van een groepje praters en denkers tot een club van drugshulpverleners. Hun aanpak was in overeenstemming met hun gedachtegoed en tegelijkertijd typisch Moluks. Van de ‘cliënten’ werd verwacht dat ze zich verdiepten in het gedachtengoed van het MSK en deelnamen aan politieke scholingsprogramma’s. Ze wisten zich met zorg omringd, maar de ontwenningsmethode was hard: niet afbouwen, maar de drugs in één keer helemaal afzweren.  

Die aanpak kwam overeen met de Molukse manier van opvoeden: streng, soms zelfs wreed, maar tegelijkertijd met veel betrokkenheid en affectie. De familie werd nauw betrokken bij de ‘behandeling’ van de verslaafde: individualiteit en autonomie waren niet heilig. 

De familie is onderdeel van het probleem, maar ook van de oplossing, vonden wij, zegt Anis. 

Drie MSK-ers gingen een opleiding aan de Sociale Akademie volgen: maatschappelijk werk en sociaal cultureel werk. Daar lazen ze het boek Politiserende hulpverlening van Bert de Turck uit 1978. Die schreef dat de psychologisering en individualisering binnen de hulpverlening was doorgeschoten en riep op tot de aanpak van de maatschappelijke oorzaken van individuele problemen. Dit stimuleerde de MSK'ers in de verdere ontwikkeling van hun methodiek. 

Groningerstraat 63 te Assen
Op zekere dag kwam de wethouder langs en vond dat er in de Talmastraat erg goed werk werd gedaan. Dat de opvang van verslaafden volledig vanuit de Molukse wijk en de wijkraad werd bekostigd en dat de medewerkers onbetaald een 7x24 uursrooster draaiden, daar keek de wethouder van op. Gestimuleerd door deze wethouder richtte het MSK een stichting op en vroeg subsidie aan. In 1979 was de stichting Masiun een feit. De naam was een samenvoeging van de Molukse woorden Masohi (‘wederzijdse hulpverlening’) en apiun (‘opium’). Anis was het eerste betaalde personeelslid. 

Masiun verliet het kraakpand en nam intrek in een pand aan de Groningerstraat in Assen. De voorzitter van de wijkraad verrichtte de officiële opening.  
Ook toen Masiun al jaren gesubsidieerd werd door de gemeente en financieel onafhankelijk was van de wijkraad, eiste de voorzitter dat er aan hem verantwoording werd afgelegd. Met alleen een mooi verhaal kwamen we niet weg. Hij wilde cijfers zien, zegt Antis. 
 
In de 21 jaren dat Masiun heeft bestaan, is ze bezig geweest met het ontwikkelen en beschrijven van de eigen methodiek. Cliënten gingen mee op ‘afkickwerkweken’ en internationale bouwkampen, waar ontwenning, vrijwilligerswerk en politieke vorming werden gecombineerd. De eigen drukkerij, waar onder meer het politieke krantje van het MSK werd gedrukt, deed dienst als werkervaringsplaats voor cliënten. Conflicten waren er ook, die vaak vergezeld gingen van media-aandacht: na een nooit opgehelderde schietpartij op een politieauto in 1982 werden 10 medewerkers van Masiun opgepakt en gevangen gezet (en in hoger beroep vrijgesproken). Dit riep een storm van protest op in de Molukse gemeenschap en bij sympathisanten. Ook nam Masiun begin jaren ’80 het initiatief voor een zwartboek tegen CAD Drenthe. Masiun was van mening dat de subsidie die bestemd was voor zorg aan minderheden, door het CAD niet goed werd besteed.  
Eind 2000 was Masiun voor het laatst in het nieuws: nadat de stichting twee jaar achtereen onvoldoende verantwoording kon afleggen over de bestede subsidiegelden, werd Masiun failliet verklaard. Het was voor de hand liggend, maar ook uiterst ironisch, dat CAD Drenthe het werk van Masiun zou voortzetten. 
Vele fusies en reorganisaties later werken Anis en Antis nog steeds in de verslavingszorg. Het is een wereld geworden van DBC’s, trajectinkoop en productieplafonds, verantwoording en controle. Verslaving is volgens de heersende inzichten een chronisch recidiverende ziekte, die wordt bestreden met medicatie en praktische maatregelen als budgettering, woonbegeleiding en sporten, ondergebracht in zorgpaden voor specifieke doelgroepen. Sociale en maatschappelijke thema’s komen binnen de hulpverlening nauwelijks aan bod, laat staan dat er ruimte is voor politieke of filosofische aspecten van verslaving.

De mannen verhouden zich mild tot de huidige mores. Het hulpverlenen vanuit budgetten en trajecten en productieafspraken, daar zullen ze altijd moeite mee hebben. Maar ze begrijpen dat een organisatie als Masiun in deze tijd niet meer kan bestaan. Hoewel de uitgangspunten van de huidige verslavingszorg vaak ver af staan van de oorspronkelijke idealen van het MSK en Masiun, vinden ze dat er in de verslavingszorg ook veel positieve inhoudelijke ontwikkelingen zijn geweest in hoe verslaving en verslaafden worden benaderd.  
Maar dat door hulpverleners terugval in drugsgebruik als een optie wordt beschouwd, zegt Anis, daar kan ik me nog steeds maar moeilijk in vinden.

vrijdag 23 augustus 2013

De Spekclub


Bron: archief AVG/Groninger Archief
Al eerder schreef ik over de Droge Kroeg in Groningen. Bij het bestuderen van de vele jaarverslagen die in de Groninger Archieven worden bewaard stoot ik op het fenomeen van de spekclub.

Deze werd in 1923 opgericht en moet je enerzijds plaatsen tegen de achtergrond van De Droge Kroeg, waar tal van activiteiten plaatsvonden die de bezoekers ondersteunden in een alcoholvrij leven.
Anderzijds werd de oprichting van de spekclub ingegeven doordat heel veel bezoekers van De Droge Kroeg aangesloten waren bij één van de spekclubs die de kasteleins in Groningen organiseerden.

Dat werkte als volgt. Wekelijks legden de leden elk een kwartje in, om daarmee tegen kerst een vleespakket mee naar huis te kunnen nemen. Dat kwartje werd wekelijks naar het café gebracht en daarbij werd volgens het jaarverslag van 1923 van De Droge Kroeg natuurlijk ook gedronken en sommigen dronken meer dan dat kwartje. Maandelijks was er een vergadering en één keer per jaar bij de aankoop van de varkens een groot feest. Je raadt het wel, steeds werd er weer flink ingenomen.

Tegen deze achtergrond werd ook in De Droge Kroeg een spekclub opgericht die in het oprichtingsjaar al zoveel geld bijeen had gespaard dat daarvan 6 ½ varken kon worden gekocht. In het jaarverslag van 1928 staat dat de spekclub de laatste jaren tussen de 300 en 400 leden had. In 1928 werden maar liefst 50 varkens gekocht en ontving ieder lid ruim 30 pond vlees, spek en vet. Het succes van de spekclub werd overtroffen door de iets 'jongere' brandstoffenclub. Deze laatste had in 1937 1800 leden die gezamenlijk voor bijna 20.000 gulden inkochten; waarvan 981.610 kg zwarte brandstof.
Het aantal leden van de spekclub bedraagt in datzelfde jaar 55, die gezamenlijk 8 ½ varken konden inkopen. De teruggang van de spekclub wordt niet verklaard.

In de jaarverslagen van 1940 tot en met 1945 wordt vermeld dat het verenigingsleven erg te lijden had van de oorlogstoestand. Eind 1945 beleefde de spekclub een herstart en had al snel ruim 800 leden. In 1946 konden helaas nog geen varkens worden aangekocht, die waren er nog niet, en moest het gespaarde geld worden uitgekeerd. Bij velen rees twijfel of er in 1947 meer succes zou zijn en daardoor nam de animo sterk af. Dat trof ook de gehele Droge Kroeg, die alleen nog bezocht werd door een kleine groep trouwe oudere bezoekers. De aansluiting bij jongeren werd steeds minder. 
Het jaarverslag van 1948 begint met de mededeling dat De Droge Kroeg wordt stopgezet. Logisch lijkt dat daarmee ook een einde is gekomen aan de spekclub.

Zoekend op Internet tref je meerdere spekclubs buiten de stad Groningen aan: Bedum en omstreken,  Weiwerd, Harkstede-Scharmer. In de Trouw en Volkskrant van 7 december 2000 staat een interview met de beheerster van de spekclub in Wagenborgen, die vanaf 1933 bestaat. Al 21 jaar gaat ze maandelijks langs de 68 leden, maar steeds vaker zijn die niet thuis of hebben geen geld in huis. Met de invoering van de euro stopt ze ermee. De plaatselijke slager begrijpt dat, maar vindt het wel jammer dat hij daardoor ook de klandizie kwijt raakt.
Spekclubs zijn er nu nog in Ezinge, Warffum, Kommerzijl en in Sebaldeburen. De laatste laat op een facebook pagina weten dat ze in 2002 is gestart vanwege nostalgische gevoelens naar de tijd van de oude spekclub die eind jaren 70, begin jaren 80 verloren is gegaan. Deze spekclub nieuwe stijl heeft als doelstelling: kwaliteitsvlees van de slager voor supermarktprijzen. Bij de drie hier genoemde plaatsen neemt het jaarlijkse feest een belangrijke plaats in.

Zou er in deze tijd van toenemende armoede weer behoefte zijn aan het gezamenlijk sparen voor en goedkoop inkopen van bepaalde producten? Of is dat iets dat niet meer bij onze tijd past?

zondag 4 augustus 2013

Heroinehoertjes en een SRV wagen

Wat doet een SRV wagen in de vredesnaam op Noorderzucht? Het antwoord ligt niet echt voor de hand, maar dit is het: in 1988 was Stichting de Gelaarsde Kat een mobiele huiskamer begonnen voor de 'heroinehoertjes' die rondtippelden in Groningen. Dat deden ze voornamelijk in het A-kwartier en op de Preadiniussingel.

Al op 15 april 1987 kondigde maatschappelijk werkster Iemkje Israels in Huize Maas te Groningen aan, dat zij met een nieuwe stichting, De Gelaarsde Kat (in oprichting), voor de, veelal verslaafde, straatprostituees in Groningen een huiskamerproject wilde opzetten.
Helaas werden de plannen niet bepaald enthousiast ontvangen en was de Gemeente Groningen niet bereid om ruimte ter beschikking te stellen voor een huiskamer of een opvangmogelijkheid.

De Gelaarsde Kat was, in alle jaren van haar bestaan, niet voor één gat te vangen. Dus er werd een mobiele huiskamer bedacht, en aangeschaft, in de vorm van een verbouwde SRV wagen. Een SeRVice voor de straatprostituees. De wagen stond in de avonduren geparkeerd op de plekken waar getippeld werd. De vrouwen konden een kop koffie in de wagen drinken, kregen 3 gratis condooms en konden er meer kopen tegen een lage prijs.  Indien gewenst werd er voorlichting of hulp geboden.
Naar ik meen, heeft de mobiele huiskamer een maand of 2 dienst kunnen doen.

Want een jaar en een dag na het optreden van Iemkje in Huize Maas, in de nacht van 16 april 1988, was dit hoe het afliep met de wagen.


Bron: de Krant van Toen/Nieuwsblad van het Noorden

Op de koop toe werd Iemkje in de dagen na de brand ook nog eens telefonisch bedreigd door mensen die zich aankondigden als bewoners van het A-kwartier.

De dader van de brandstichting is nooit gevonden. En ja, het zouden boze bewoners geweest kunnen zijn, maar net zo goed de boze vriendjes van tippelaarsters, die er ook al niet op zaten te wachten dat hun vriendinnen binnen koffie zaten te drinken in plaats van geld te verdienen.
Nog best heftig, die tachtiger jaren. Maar de aanhouder wint.

Drie jaar later, in 1991, is er toch een huiskamer gekomen voor de straatprostituees, op de Aweg.
De Gelaarsde Kat, met Iemkje als voorvrouw, heeft zich niet laten intimideren en kwam op voor de 'heroinehoertjes' zoals de pers helaas tot op de dag van vandaag nog vaak schrijft over verslaafde prostituees.  Met de vrijwilligers van de Gelaarsde Kat en later van het Straatprostitutie Project (SPP) stond Iemkje aan de wieg van de huidige tippelzone op de Bornholmstraat.
Daarvoor verdient ze veel lof. Want van een leien dakje ging het dus bepaald niet in Groningen.

dinsdag 23 juli 2013

De Molukse verslavingszorg (1)

Anis en Antis: twee Molukse mannen die het niet is aan te zien dat ze de zestig al zijn gepasseerd. Ze hebben ingestemd met een interview met Martinus en mij en vertellen over hoe het was volwassen te worden in het Assen van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Het was de tijd van de tienertoer, de soul en de mode. Molukse jongeren hadden wat dat laatste betreft een naam hoog te houden. Molukse jongeren uit heel Nederland zochten elkaar op en maakten in Amsterdam kennis met drugs. En gingen als het nodig was op de vuist met andere groepen jongeren.

Je groep, dat was méér dan familie, zegt Anis. 

Antis en Anis verdiepten zich in hun geschiedenis. Hun ouders en veel van hun vrienden koesterden en verdedigden het ideaal van de vrije Molukse staat, de RMS. Maar er ontstond ook een andere stroming: die van de overtuiging dat het tijd was voor een heroriëntatie op de geschiedenis van de kolonialisatie en dekolonisatie. De ideeën van Paulo Freire en Frantz Fanon sterkten het idee van deze progressieve Molukse jongeren dat het tijd was voor emancipatie en bewustwording en dat de RMS niets anders was dan een vorm van neokolonialisme. Echte dekolonisatie is je eigen toekomst bepalen. Niet door af te wachten wanneer de Nederlandse regering eindelijk haar morele schuld aan het Molukse volk aflost. En al helemaal niet door dat met geweld af te dwingen. Ze gingen geloven in een ander soort ideaal dan dat van hun ouders. Ze gingen erover praten, wilden andere jongeren inspireren met hun ideeën. En zo ontstond het MSK: het Moluks Scholings Kollektief. Kollektief met een K, want het waren de jaren zeventig. 

Politiek bewustzijn is niet een vanzelfsprekend gegeven voor jongeren, zeg ik. Wel als je als jongere opgroeit in de Molukse gemeenschap, zegt Anis. Je geschiedenis, je toekomst, je familie, je buurt: alles is doordrenkt van politiek.

In de roerige jaren zeventig was het drugsgebruik bij veel Molukse jongeren volstrekt uit de hand gelopen. Na de softdrugs kwam de heroïne. Er was een moment dat in bijna ieder Moluks gezin in Assen en omstreken wel iemand aan de heroïne verslaafd was. Er moest iets gebeuren, dat was duidelijk. Vertrouwen in de bestaande hulpverlening hadden ze niet, bij het MSK. Het MSK bleek niet alleen een clubje van praters en denkers: de leden ondernamen zelf actie.

Bevrijding begint bij jezelf en in je eigen wijk, daarvan waren wij overtuigd geraakt, zeggen Antis en Anis. Je eigen toekomst bepalen, dat gaat niet als je verslaafd bent. 

In de Talmastraat, aan de rand van de Molukse wijk, werd een pand gekraakt. De leden van het MSK verzamelden voedsel, geld en andere benodigdheden in de wijk, maakten samen een rooster voor 24-uursbezetting en zetten sloten op de ramen en deuren van het kraakpand. De verslaafden die er het ergst aan toe waren, werden er opgevangen om cold turkey af te kicken. Soms ontsnapte er iemand, maar die werd snel opgespoord. Met drie of vier sterke mannen gingen ze hem ophalen in Groningen en in de auto was hij snel terug naar Assen gebracht. De eerste Molukse verslavingskliniek was een feit.  

Zo begon de Molukse verslavingszorg: mensen die constateerden dat er iets moest worden gedaan en het deden. Vanuit overtuiging, volstrekt amateuristisch en zonder overheidsbemoeienis.

woensdag 6 maart 2013

De Droge Kroeg


In 1941 vierde De Droge Kroeg in Groningen haar 25 jarig bestaan. Via Internet heb ik bij het Groninger archief een bladzijde gevonden uit een langer document dat ons informeert over deze bijzondere mijlpaal.
Over wat de De Droge Kroeg was bericht ik hier, maar ook over de vele vragen die ik nog heb en waarvan ik hoop dat lezers van dit blog met antwoorden kunnen komen.
De Droge Kroeg is in 1915 opgericht als opvolger van een eerder initiatief van Jonkvrouwe de Ranitz.
 “In een kleine portaalkamer van de tóén nog achterbuurtachtige nauwe Kostersgang heeft mevrouw Jongvr. De Ranitz het prachtige initiatief genomen, om een Zondagsschool en bijeenkomsten te stichten voor de bewoners der achterbuurten”.
De medewerkers die genoemd worden zijn alle van adel. Zo lokten de dames van der Hoop- van Slochteren op zaterdagmiddagen de jeugd van straat met mandoline-spel en gezang. Wat een tijden waren dat toen, probeer nu nog maar eens op deze wijze de jeugd ergens naar binnen te lokken.
De werkzaamheden waren onder gebracht in de stichting “Het Chr. Geheel-Onthouders Gebouw”.
In 1915 ging het gebruik van het gebouw in de Kostersgang over in handen van de stichting “De Droge Kroeg”. Deze stichting exploiteerde een ruimte waarin men zo veel mogelijk de kroegsfeer wilde bewaren. Er kon worden gekaart, gelezen en gebiljart. Ook zijn op een foto van het archief mannen aan het dammen. Overigens komen op alle foto’s alleen maar mannen voor.


De Droge Kroeg heeft ook een hulpverlenende functie. In 25 jaar tijd hebben daarvan 2279 “patiënten” gebruik gemaakt, waarbij de bemoeienis bij meer dan de helft heeft geleid tot “grondige of algeheele genezing”.
Bijna 40% was in contact gekomen met De Droge Kroeg na een overtreding van het Wetboek van Strafrecht. Over de behandeling wordt het volgende vermeld:
“De therapie van “De Droge Kroeg” is: de drinkers ervan te overtuigen dat gezelligheid zonder alcohol bestáát en dat vermaak zonder alcohol mooier en rijker maakt”.
In zijn boek over de geschiedenis van drankgebruik en verslavingszorg voegt Jaap van der Stel aan deze gegevens geen andere toe. Ook op internet kan ik niets meer vinden.

Ik zal dus op een andere manier op zoek moeten naar de vele vragen die ik nog heb. Bijna op dezelfde plek in Groningen heeft het Leger des Heils nu een voorziening voor thuis- en daklozen. Was het Leger des Heils toen ook al eigenaar van De Droge Kroeg en heeft zij nu een nieuw pand op de plek van De Droge Kroeg?
Wanneer en waarom is De Droge Kroeg opgehouden te bestaan? Hoe ging het met dit initiatief tijdens de Duitse bezetting? 
In de jaren 20 ontstond het consultatiebureau voor alcoholisten in Groningen. Wat was de relatie van dit bureau met De Droge Kroeg?
Dit zijn misschien vragen waarop in het Groninger Archief het antwoord ligt. Mogelijk kunnen  ook lezers van dit artikel me helpen met het vinden van antwoorden.

Aardig is dat in De Droge Kroeg de sfeer van een café wordt na gebootst. In Groningen is al enkele jaren een zelfhulpgroep onder de naam InTact actief.
Hier nemen vooral jongere mensen met een verslavingsgeschiedenis aan deel. Uitgaan is voor veel van de deelnemers een belangrijk thema; maar de confrontatie met alcohol maakt het voor hen lastig om uit te gaan. Er is daarop het concept bedacht van een bruin café waarin geen alcohol geschonken wordt. Waar iedereen gezellig naar toe kan met of zonder een verslavingsgeschiedenis. Eigenlijk een beetje De Droge Kroeg.

Die naam heb ik hen ook eens voorgesteld. De naam kroeg viel niet in goede aarde. Was dat vroeger dan zo anders?

zondag 17 februari 2013

Van Volksbond naar Hoog Hullen

Onlangs bezocht ik een symposium georganiseerd door de Stichting Volksbond Rotterdam. Het was een alleraardigste en goede bijeenkomst. Let wel, het vond plaats in Amsterdam. Na de bijeenkomst hield professor Elske Derks haar oratie. Zij bezet een door deze Volksbond gefinancierd professoraat met als leeropdracht “Addiction Genetics”. Dezelfde Volksbond financiert ook een leerstoel in Rotterdam en richtte in 1988 het IVO (Instituut voor Verslavings Onderzoek).

Nu was ik op Internet weer eens op zoek naar de geschiedenis van de Noordelijke verslavingszorg, die ik zou willen laten beginnen bij de oprichting van Hoog-Hullen in 1891. Ik stuitte daarbij op een document dat de geschiedenis van de Amsterdamse Volksbond vertelt en hoe die geschiedenis verbonden is met de oprichting van Hoog-Hullen in Eelde. Daarover gaat deze bijdrage. De gegevens heb ik ontleend aan www.historici.nl .
De Volksbond is in 1875 in Amsterdam opgericht en  heet voluit: Volksbond, Vereeniging tegen drankmisbruik. Na meer dan 100 jaar, in 1989, wordt de Amsterdamse Volksbond pas weer opgeheven.

De bond komt voort uit een initiatief van de journalist L.P Philippona, die onder het pseudoniem Multapatior (betekent: ik lijd veel) schrijft en die in het Handelsblad oproept de bestrijding van alcoholmisbruik ter hand te nemen. Let op, het gaat hem niet om het bestrijden van elke vorm van drankgebruik maar uitsluitend om het tegengaan van het drankmisbruik!
Er wordt in Amsterdam zelfs toestemming gevraagd voor het oprichten van bierkiosken. Dat verzoek wordt overigens door gemeenteraard met één stem verschil afgeween. In de 19e eeuw staat er bij de vergaderingen van de Volksbond nog wijn op tafel.
Er komen zoveel reacties dat L.P. Phippona besluit een vereniging op te richten die aanvankelijk Multapiatorsbond genoemd wordt en bij de start 800 leden telt.


Deze Volksmond stelde zich ten doel: het misbruik van bedwelmende dranken en openbare dronkenschap te bestrijden. Zij richt zich daarmee op alcoholisten. Zij had een neutrale levensbeschouwing. Hoewel in Amsterdam opgericht, beschouwde ze het hele land als haar werkterrein. Als activiteiten worden de volgende genoemd:
  • het nemen van het initiatief tot oprichting van de Vereeniging tot Bevordering van het Herstel van Drankzuchtigen in 1890, die het sanatorium "Hoog-Hullen", één der eerste herstellingsoorden voor alcoholisten, oprichtte en in stand hield.
  • het geven van voorlichting over drankmisbruik, het stimuleren van allerlei vormen van volksonderricht en van (woning)bezit
  • het opzetten van het zogenaamde 'Toynbee' of buurthuiswerk
  • het bevorderen van de oprichting van Bondhuizen, van het laten rondrijden van koffiewagentjes, en het inrichten van koffiekiosken.
  • het zenden van adressen aan de kroon, waarin aangedrongen werd op een betere reglementering van het drankgebruik en de drankproductie, waarbij de strijd werd aangebonden met de jeneverproducenten en schenkers en gepleit werd voor de productie van goed en goedkoop bier als alternatief; waarbij geageerd werd tegen uitbetaling van lonen in kroegen, tegen te lange werktijden; hiertoe was de Volksbond zeer actief in de Centrale commissie tot drankwetherziening.
Een mooie opsomming van activiteiten die ons nu niet alle even duidelijk zijn. Wat heeft het buurtwerk ingehouden? En hoe moeten we het stimuleren van (woning)bezit in dit verband zien? Dan zegt ons de oprichting en instandhouding van Hoog-Hullen ons meer.

In zijn boek, Drinken drank en Dronkenschap; vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland, vermeldt Jaap van der Stel dat de Volksbond ook het initiatief nam voor het oprichten van alcoholvrije wachtlokalen en koffiehuizen.
Het enige nog bestaande alcoholvrije koffie huis is het Volkshuis in Zutphen. Jaap merkt hierbij op dat de Volksbond in het begin een scherp onderscheid maakte tussen bier, dat werd op één lijn gesteld met koffie en mocht geschonken worden, in tegenstelling tot sterke drank.

De Volksbond kende door het hele land afdelingen: als eerste die te Amsterdam, daarna Assen, Bussum, Den Haag, Deventer, Domburg (1901), Dordrecht, Druten, Haarlem, Heemstede, Hilversum, Hoorn, Joure, Leeuwarden, Loenen aan de Vecht, Maastricht, Muiden, Utrecht, Vlaardingen (1899) en Wijk bij Duurstede. Ook het Adresboek van Alkmaar 1900 vermeld een afdeling van de Volksbond.
Bijzonder was, dat de leden en activiteiten van de Volksbond in tegenstelling tot de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van alcoholhoudende Dranken, dat zij enige invloed uitoefende in het katholieke Zuiden, althans tot de komst van Kruisbond en andere rooms-katholieke drankbestrijdingsorganisaties.
De Volksbond had ook een koninklijk tintje getuige het feit dat Koningin Sophie en de prinsen Frederik en Hendrik tot de eerste  behoorden, die sympathie betuigden met de oprichting van de Volksbond.
In 1900 had de Volksbond ongeveer 8.000 leden verdeeld over 29 afdelingen. Het lidmaatschap legde geen verplichtingen (ge- of beloften) op, behalve de betaling van contributie.

In 1989 waren er nog slechts 200 leden over van de 40.000, die de landelijke Volksbond eens rijk was. In dat jaar besloot de direktie van de Volksbond, de nog overgebleven leden van de landelijke organisatie te bedanken voor hun trouwe steun. Een indirect lidmaatschap via één van de overgebleven afdelingen van de Volksbond behoort nog wel tot de mogelijkheden. De landelijke organisatie kent nu alleen nog het lidmaatschap van de afdelingen.
In het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam beschikt men over 3,5 meter materiaal over de Volksbond. Voor wie dat wil is er nog veel meer te vinden en te vertellen over de Volksbond.

Via Google kom je weer een nieuwe Volksbond in Amsterdam tegen. De Stichting  Volksbond Amsterdam richt zich op de opvang van thuis- en daklozen. De naam is vast niet toevallig gekozen. Ook in Amsterdam is nu in één van de koffiehuizen van de Volksbond een restaurant gevestigd.