Posts tonen met het label auteur: Martinus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label auteur: Martinus. Alle posts tonen

dinsdag 8 juli 2014

Geen zwart gat


Nieuw Zeeland
Nu we steeds minder geld aan zorg te besteden hebben moeten we nadenken over andere vormen van zorg. Daarvoor kunnen we te rade gaan bij landen waar altijd al minder geld voor zorg beschikbaar is geweest. Ook kunnen we onze eigen geschiedenis raadplegen.
In de verslavingszorg is vanuit cliëntenraden een groepering ontstaan die de zorg in het belang van alle cliënten wil verbeteren. Zij hebben daarvoor de stichting het Zwarte Gat opgericht, naar het zwarte gat waar velen na een behandeling in de verslavingszorg in vallen. Het Zwarte Gat heeft gekeken naar de zorg in landen als Nieuw Zeeland en heeft daar kennis genomen van  Recovery (in goed Nederlands: herstel). Zij heeft daarin een uitgelezen kans gezien om het zwarte gat na een behandeling te vermijden. Daarin staan uitgangspunten centraal die zo gewoon en logisch lijken dat je je er over verbaast dat die niet ook hier dagelijkse praktijk zijn.
1. Ga uit van de eigen kracht van iemand en van diens omgeving.
2. Maak gebruik van de ervaringskennis van clienten in het hulpverleningsproces maar
    ook in zelfhulpgroepen.
3. Laat de regie over het eigen leven maar ook over de behandeling bij de client.
4. Ieder heeft zijn of haar unieke herstelproces te gaan.
5. Herstellen is niet altijd genezen, maar juist om leren gaan met je beperkingen en leren
    je maatschappelijke en sociale rollen weer te vervullen en weer zin in het leven te krijgen.

In de huidige zorg in Nederland worden cliënten vooral afhankelijk gemaakt van de zorgverleners. De laatste hebben geleerd zich te richten op het probleem van de cliënt. Deze twee elementen vormen de belangrijkste bron van hun arbeidsvreugde. Daarnaast is de hulpverlening steeds meer opgesplitst naar specialisten, die moeilijk tot onderlinge samenwerking komen. De cliënt wordt daardoor gereduceerd tot zijn of haar probleem dat los van andere vraagstukken waar hij of zij voor staat en los van de context van diens dagelijks leven wordt aangepakt. Maar de cliënt is meer dan zijn verslaving of psychose of andere problematiek. Hij heeft ook familie en misschien ook wel schulden en misschien wil hij wel graag weer aan het werk of een opleiding volgen.

In de verslavingszorg wordt dit geheel van afhankelijk makende en gefragmenteerde hulpverlening veelal overgoten met een dikke saus impliciete morele oordelen, die veelal zijn terug te voeren op onderliggende gedachtes als: “jij bent fout” en “ik ben goed en eigen schuld dikke bult”.

De cliëntenbeweging in de verslavingszorg, en al langer ook die in de psychiatrie, willen andere zorg, namelijk die gebaseerd is op de hiervoor genoemde uitgangspunten van herstel. Merkwaardigerwijs hebben de besturen van de instellingen in de verslavingszorg zich hiertegen heftig verzet. Pas na lang aandringen van de cliëntenbeweging zijn ze overstag gegaan en hebben samen met vertegenwoordigers van de cliëntenbeweging een nieuwe visie op verslavingszorg opgesteld. Helaas volharden de besturen in hun houding van niet willen luisteren naar wat hun cliënten. Ze geven totaal geen uitvoering aan hun eigen visiedocument.

Niet alleen voor besturen, ook voor de meeste hulpverleners is de gevraagde omslag moeilijk. Zij moeten leren bevrediging te vinden in een meer coachende rol, waarin zij de cliënten stimuleren en ondersteunen in hun eigen proces van herstel.

Deze veranderingen lijken eerder tot stand te komen bij welzijnsinstellingen dan bij zorginstellingen. Welzijnsinstellingen zijn van oudsher meer gewend uit te gaan van de hele mens.

Spekclub Groningen, 1926
De voorlopers van de huidige verslavingszorg hadden ook meer het karakter van welzijns- dan van zorginstellingen. Zij steunden het eigen initiatief van cliënten, zowel met betrekking tot het elkaar ondersteunen in het drankvrij blijven als bij de gezamenlijke inkoop van vlees en kolen zoals bijvoorbeeld in de barre jaren 30 van de vorige eeuw.

Met name de huidige zorginstellingen lijken maar langzaam te veranderen en zij komen daarmee steeds verder af te staan van de dagelijkse belevingswereld van hun cliënten. In die wereld staat steeds vaker het proberen te overleven in armoede centraal.
Deze kloof kan alleen maar overbrugd worden als cliënten de handen ineen slaan om, naar voorbeeld van de jaren 30, gezamenlijk hun problemen aan te pakken. Met deze en andere gezamenlijke inspanningen kunnen  zij ook voorkomen dat het zwarte gat ontstaat.

zondag 9 februari 2014

Gevaarlijke uitbraak epidemie serum hepatitis in Groningen in 1978


“In september 1977 valt het Siep Martinus (Straathoekwerk) op dat er gele, zieke mensen onder de spuiters rondlopen.”
Deze constatering staat opgetekend in het bulletin Serum hepatitis (in de volksmond geelzucht genoemd) van maart 1978 van DAK io en Straathoekwerk. Dit bulletin, dat ik mocht lenen van oud-straathoekwerker Ben Bloem, bevat het verslag van hoe door de lakse en ondeskundige houding van de betrokken instanties de constatering van Siep Martinus kon uitgroeien tot een heuse epidemie met grote gezondheidsrisico’ s voor de besmette spuiters (van heroïne en speed), maar ook voor de algehele bevolking. 
Er wordt uitgebreid verslag gedaan van de pogingen de GG&GD, de Inspectie voor Volksgezondheid, en het Academische Ziekenhuis de noodzakelijke maatregelen te laten treffen om te voorkomen dat de betreffende spuiters een chronische leverbeschadiging oplopen of zelfs komen te overlijden. Voor een effectieve behandeling is medicatie in combinatie met rust en gezonde voeding van essentieel belang en dat is nu juist datgene waarover de spuiters niet beschikken. Serum hepatitis is bijzonder besmettelijk via bloedcontacten, die kunnen plaatsvinden bij bloedtransfusies, behandeling bij een tandarts of het gebruik van onreine naalden. Toentertijd was het nog nodig dat tandartsen, maar ook centra voor bloeddonatie, extra maatregelen namen om besmetting te voorkomen. De GG&GD was op de hoogte van de uitbreiding van het aantal spuiters met serum hepatitis, maar lichtte daar de tandartsen niet over in, die daarover terecht kwaad waren.
In december 1977 was het aantal besmette spuiters opgelopen tot 25. Ook deze uitbreiding mocht de instellingen niet verleiden adequate maatregelen (behandeling in quarantaine) te nemen. Dat leidde tot heftiger wordende confrontaties met de medewerkers van Straathoekwerk en DAK io, die immers de dagelijkse druk ervoeren van steeds zieker wordende spuiters. Pas toen ze meldden dat ze gingen publiceren kwam er beweging en werd een quarantaineopvang voorbereid. Ondertussen hadden beide instellingen al praktische maatregelen genomen, zoals een eenvoudige maar doeltreffende spuitomruil. Ben Bloem vindt ook nu nog dat apotheek Diephuis veel lof verdient omdat die het lef had Straathoekwerk de benodigde spuiten te leveren. Het Drugs Informatie Centrum Groningen (DICG) deelde pamfletten uit om te waarschuwen tegen de risico’s om besmet te worden met serum hepatitis, onder andere door gebruikte naalden, maar ook door seksueel contact.

De hele affaire leidde vanaf het verschijnen van het bulletin tot veel plaatselijke en landelijke publiciteit, en tot Kamervragen. De opstellers van het bulletin hebben de indruk dat vooroordelen over spuiters het gedrag van de verschillende betrokken instanties hebben bepaald: spuiters zijn lastige mensen en als je ze al zou behandelen, behandel ze dan als psychiatrisch patiënt, ook als ze zich melden met lichamelijke ziekten, zoals serum hepatitis. Deze indruk kan ik volledig met hen delen.
Deze affaire leert ook dat in de gezondheidszorg sterke belangenbehartiging van groot belang is. Het is dan ook zeer te betreuren dat de zorg alleen nog geleverd wordt door grote instellingen, die geen hinder ondervinden van 'luizen in de pels'. Ook geïnstitutionaliseerde cliëntenraden kunnen die functie over het algemeen onvoldoende vervullen. Misschien zijn nu, nog meer dan toen, deze luizen in de pels nodig.

zondag 24 november 2013

Winschoter consultatiebureau voor drankzuchtigen

De tijden van oorlog, van mobilisatie en van groote misdadigheid zijn weliswaar voorbij; de samenleving – zou men willen zeggen – is tot rust gekomen. Toch is het er verre van af, dat de vooroorlogsche tijden, waarin jaar op jaar zoowel het drankgebruik als de misdadigheid dalende cijfers gaven, zijn teruggekeerd. Noch altijd immers verkeert de maatschappij in een toestand van crisis, die een noodlottigen invloed op de bevolking uitoefent. En nog altijd zijn er factoren in overvloed aanwezig, ook in het gebied van ons Bureau, die in eenig opzicht tot drankmisbruik en tot misdadigheid leiden. Enkele factoren, de groote geldruimte, de uitvoerverboden, de militaire uitzonderingstoestanden en ook de vluchtelingenstroom zijn weliswaar zo goed als uitgeschakeld, maar de algemeene demoralisering, de wankelmoedigheid, de onverschilligheid voor ideële zaken, alsook de materieele nooden teweeggebracht door werkeloosheid, financiëele debacles e.d. zijn van zoo ernstigen aard, dat het wel zeer te onpas zou zijn, als men nu de Reclassering niet gaf, datgene wat haar rechtens toekomt : de volledige geldelijke en zedelijke steun van overheid en politiek.

Kom hier eens om in een jaarverslag van een huidige organisatie voor verslavingszorg of reclassering. Dergelijke analyses tref je daar niet meer in aan. De secretaris van het Winschoter Consultatiebureau voor Drankzuchtigen tevens Reclasseringsbureau scheef dit in zijn jaarverslag over 1921.

Op mijn speurtocht in de archieven van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam en bij het Groningse archief trof ik twee jaarverslagen aan over een bureau in Winschoten dat je, net als veel toenmalige bureau’s elders, kunt beschouwen als een voorloper van wat later bekend werd als CAD (Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs). Ik heb nooit geweten dat er zo’n organisatie in Winschoten is geweest. Ook Jaap van der Stel vermeldt het niet in zijn boek over de geschiedenis van de Nederlandse alcoholzorg. In het tweede jaarverslag gaat het over de jaren 1921 en 1922 en in het derde jaarverslag over de jaren 1922 tot 1924. Meer jaarverslagen heb ik niet kunnen vinden. Om de geschiedenis van dit Winschoter bureau goed in kaart te brengen zou ik natuurlijk graag over meer informatie beschikken.

Het Bureau in Winschoten is in 1917 begonnen blijkt uit een in het derde jaarverslag opgenomen statistiek. In 1917 waren er 24 behandelde gevallen en in 1924 tot juni 39. Ze komen van Termunten tot Vlagtwedde en van Hoogezand tot Nieuweschans. Opvallend is dat er geen mensen komen uit Stadskanaal, Musselkanaal en Ter Apel; deze plaatsen behoorden kennelijk niet tot het toenmalige arrondissement Winschoten.

In 1922 werden 102 gevallen in behandeling genomen. Daarvan kwamen 18 uit eigen beweging, 1 werd gezonden door kennissen en 19 door de familie. Het verslag bevat een lange lijst met vertegenwoordigers per gemeente in het arrondissement. Deze verwezen in 1922 13 gevallen. De directeur van het Huis van Bewaring te Winschoten maar liefst 23.

Van de 102 gevallen waren er 71 reclasseringsgevallen en 31 drankzuchtigen. Voor 60 van de 71 reclasseringsgevallen dreigde een vonnis wegens een misdrijf, in meerderheid wegens diefstal of mishandeling.

Met de 102 gevallen werden de volgende resultaten bereikt. Daar werd netjes bij vermeld op dit oogenblik.

Gelukt
30
29%
Voorlopig gelukt
18
18%
Thans nog ingesloten, onbekend of niet verder behandeld
32
31%
Mislukt
22
22%

Voorwaar geen slecht resultaat. Cijfers zeggen wel wat, maar voorbeelden spreken meer.

De enige effectieve maatregel is geheelonthouding. Daarvoor is ondersteuning van andere geheelonthouders nodig en moet men ook zelf gaan bijdragen aan de onthouding van anderen. Weken, maanden, soms jaren hebben ze de drank met afkeer verwenscht, vervloekt, omdat ze overtuigd waren dat het de drank was waarvoor ze al dien tijd moesten doorbrengen in een cel, doch ook bij de beste voornemens is terugslag voorgekomen. Het is onmogelijk voor die ongelukkigen dat zij matig kunnen drinken. Voor hen is noodzakelijk geheelonthouder te zijn en zo veel mogelijk in geheelonthouderskringen te worden opgenomen en in de voorste geleden te worden geplaatst, om een werkzaam aandeel te nemen in de drankstrijd.

Dat besef dat de inzet voor onthouding na de behandeling onverminderd door moet gaan en dat de alcoholist daarbij de steun van lotgenoten hard nodig heeft lijkt in de loop der tijden verloren te zijn gegaan. De moderne hulpverleners brengen hun cliënten maar hoogst zelden in contact met zelfhulpgroepen. En deze zijn er in Nederland dan ook veel minder aanwezig dan in de meeste andere landen.

Het aantal veroordelingen voor openbare dronkenschap neemt gedurende WO I af, zowel in het arrondissement Winschoten als in de rest van Nederland. In 1919 is er weer een toename, maar blijven de aantallen wel lager dan voor de oorlog. In 1920 is er een explosieve toename van bijna 100% ten opzichte van het voorgaande jaar. In al deze jaren zijn de cijfers voor het arrondissement Winschoten hoger dan voor Nederland. Het grootste verschil is er in 1920: in Nederland 4,80 veroordelingen per 1.000 inwoners en in het arrondissement Winschoten 6,12.

Tot slot beslist niet onbelangrijk. Voorkom dat kinderen al vroeg het pad op gaan van alcoholisme. Ook hier hield het Winschoter bureau zich mee bezig. In één van de jaarverslagen trof ik deze opvoedkundige flyer aan.


zaterdag 19 oktober 2013

Bajeskampen

Bij deze term denkt u waarschijnlijk aan een gevangenis. Het heeft er inderdaad mee te maken, maar het is het beslist niet.

Zo’n 10 jaar lang zijn er weken georganiseerd met en voor mensen met veel detentie-ervaring, met weinig sociale contacten en weinig mogelijkheden er eens een paar dagen leuk uit te zijn. Dit is begonnen met een kampeer week in Glimmen in 1976.
Deze eerste kampeer week is een initiatief van de Bond Wets Overtreders (BWO), zo blijkt uit het opgemaakte verslag, en is gehouden van 23 t/m 28 augustus in de grote tuin van woongemeenschap de Kooijkamp in Glimmen. Mensen van de Kooijkamp en van de BWO werden door gevangenispredikant Wichert Hoekert bij elkaar gebracht om dit kamp te organiseren. De week bestaat uit werken en ontspannen. Als dank voor de gastvrijheid van de woongemeenschap wordt een waterleiding gegraven in hun tuin. We gaan zwemmen, zeilen, roeien, fietsen, houden kampvuren, praten met gasten en sluiten af met een evaluatie. Het is ook echt een kamp van de BWO: op 26 augustus zitten we allemaal
's middags om 5 uur voor de TV om te kijken naar het proces tegen Prins Bernhard over Lockheed. In de meningswisseling na afloop wordt het idee geopperd hem uit te nodigen lid te worden van de BWO.

Opmerkelijk is dat de voorbereidingsgroep besluit in principe geen harddrugverslaafden toe te laten, omdat ze zich onvoldoende deskundig acht eventueel daaruit voortkomende problematiek op te vangen. Dit besluit wordt niet strikt uitgevoerd en ik zie nog de beelden voor me van een afkickende verslaafde die kotsend in de brandende zon dapper door gaat met zijn graafwerkzaamheden. Ik heb hiervoor nog steeds diep respect!
We wisten toen nog niet dat we begonnen waren aan iets dat zo’n 10 jaar zou door gaan.

Heel opvallend is de opkomst van de harddrugproblematiek. Enkele alcoholisten keken in deze eerste kamp week erg neer op de paar aanwezige harddrugverslaafden. Tijdens het tweede bajeskamp was een deel van hen zelf harddrugverslaafde geworden en hadden we het bajeskamp wel kunnen afgelasten als we als regel hadden gesteld dat harddrug-verslaafden niet mee zouden kunnen.

In dit tweede bajeskamp is er een optreden van het Groningse vormingstheater “Werk in uitvoering”  onder leiding van Jos Thie met stukjes uit hun nieuwste productie “Jatwerk”.
Tot en met 1979 wordt het bajeskamp jaarlijks in Glimmen gehouden. Daarna verhuist het kamp naar het terrein van een andere relatie van Wichert Hoekert in het Drentse Aalden. Ook dat is weer een paradijselijk plekje. Het programma verandert en de samenstelling van de deelnemers eveneens.

Uit het verslag van 1980:
“Het laatste jaar legde de voorbereidingsgroep zich er rekenschap van af, dat in de nederlandse gevangenissen verhoudingsgewijs veel mensen zitten, die niet blank zijn. Op zich zegt dat nogal wat over ‘ons’ sociale- en rechtssysteem Op dit punt is veel te ondernemen. We wilden ons echter konsentreren op de meer dagelijkse ervaring van dubbele discriminatie (op grond van huidskleur/ras en op grond van het feit dat je gezeten hebt). “
Er komen ook Molukse en Surinaamse deelnemers en er zijn optredens van Molukse en Surinaamse bands en koren. Het verslag eindigt met de heroïsche fietstocht er naar toe: “Toelichting: Onder geestdriftige leiding van Wichtert Hoekert werd 25 kilometer omgereden door de fietsers terwijl het goot van de regen.”  En, met een keurig financieel overzicht. Er is door giften en bijdrages van de deelnemers ruim 6.000 gulden opgehaald en er blijft bijna 2500 gulden over.

Daarna heb ik in mijn archief nog de uitnodiging voor het 10de bajeskamp in 1984. Eén van de ondertekenaars van de uitnodiging is Wichert Hoekert, die als enige alle kampen mede heeft georganiseerd.
Zou er na 1984 nog een bajeskamp zijn geweest? Jammer toch dat zo iets er nu niet meer is.

zondag 22 september 2013

De avonturen van Sprits, Jezus en vele anderen

Rond het midden van de jaren 70 van de vorige eeuw kwam het heroïnegebruik op in Groningen. Aan het eind van die 70-er jaren was er een groep van zo’n 250 heroïnegebruikers bekend bij het Groningse Straathoekwerk. Deze groep kende elkaar grotendeels onderling en was veel in de binnenstad te vinden. Daar hadden de straathoekwerkers contact met hen. Er  bewoog zich ook een vrijwilliger in diezelfde wereld. Ook hij kende die wereld van binnen uit.

Zo veel jaar later durf ik te stellen dat we toen geen verstand hadden van verslaving, maar des temeer van de leefwereld van heroïneverslaafden. Dat laatste vond zijn weerslag in een geestig realistisch boekwerkje van de eerder genoemde vrijwilliger, Pieter Honhoff met illustraties van zijn vriendin Marijke. Het boekje heeft een even merkwaardige titel als inhoud: ,,&. (berichten van de zelfkant). Het geeft een beeld van hoe het toeging in de heroïnescene tegen de achtergrond van die tijd.

“Sprits zet zijn fiets op de gewone plek in de Razerpassage & gaat te voet door de Poelstraat naar de Spaanse Griep, een gebruind café van waaruit hij graag door het raam de straat in de gaten houdt. Onderweg voelt hij snel z’n gulp, waar hij in een Malboror-pakje z’n pakjes heroïne bewaart. Later op de dag raakt de dieler de tel meestal kwijt, maar zijn zaken gaan altijd nog goed. Hij komt de Griep binnen & ziet meteen enkele bekenden.

& wie er verder deze ochtend zijn. Alkoholoos in de ban van hun absorptie, een paar spijbelende studenten & een beeldhouwer die ook al aangeschoten is. “ (p 12)

“Jezus heeft achter in de Spaanse Griep een rijksdaalder gebietst, van een meisje dat de doorzichtige branie van de charmante kaalkop wel zag zitten, ze betaalde ook nog een kop koffie & bewonderde z’n samoerai-jasje, & toen moest ze weg….Overeind en nauwgezet gaat hij naar de achterdeur van de kroeg, & via een houten trap in het Eeltsteegje raakt hij in het toilet van de Griep.

Uit de boordzoom van zijn kraag haalt hij het pakje heroïne, z’n spuit & z’n lepeltje zitten los in z’n zak. Hij schept wat water uit de pleepot, legt het lepeltje op de rand, schudt het pakje er in leeg, houdt z’n aansteker onder de lepel tot het poeder oplost & het mengsel kookt. Hij legt de lepel terug op de rand, & trekt door een sigarettefilter de spuit vol. Lepeltje terug in de zak, rotzooi in de pleepot & de luchtbelletjes uit de spuit tikken.

Jezus gaat op de WC zitten. Hij voelt zich een beetje duizelig, maar wijt dat aan al de gekonsentreerde bewegingen in die kleine ruimte.” (p 24)
 



   Dat Jezus en zijn vrienden het niet zo nauw nemen met hun gezondheid zorgt er voor  dat ze regelmatig terecht komen in het ziekenhuis. Daar zijn ze geen graag geziene gasten, maar ook zelf zijn ze er beslist niet langer dan nodig is zoals blijkt uit de volgende scene.

“Hoofdpijn, m’ n hoofd klopt & m’n kaken & tanden doen zeer. Er zijn meer pijnen, ik heb ook last van m’n maag. Ik voel me behoorlijk ziek. Wat is dat hier, waar ben ik hier, ik herken wel iets, misschien ben ik wel out gegaan. Waar ben ik hier.

                  “Eh?!”

  Jezus slaat zijn ogen op, zijn blik ontmoet vriendelijk wenkende wijzerplaten die zijn bewustzijn aangeven. Hij gaat overeind zitten, een kort waas trekt voorbij. Een verpleegster staat naast zijn bed & legt haar handen op zijn schouder……

                 “Ik voel me ziek, zuster.”

                 Ze bekijkt haar jonge, kaalgeschoren patiënt met enige belangstelling.

  “O ja?”

                  Jezus merkt haar welwillendheid & zegt met gebroken stem.

  “Ja zuster, ik voel me ellendig. Ik heb overal pijn.”

  “Pijn!?”

  Ze doet verschrikt een paar trippeltjes achteruit. In een moderne gezondheidszorg is pijn  taboe. Ze had het woordje al jaren niet gehoord. Snel praat ze nu, om erger te voorkomen.

“Eh, ik zal de dokter, ik zal dokter Soeleiman halen, ik weet niet goed wat ik, ik heb geen idee, ik eh, wacht u maar even.”

Ze slingert de deur achter zich dicht & lijdzaam kijkt Jezus naar het plafond. Dan gaat hij overeind zitten & trekt alle slangetjes & sensoren uit z’n huid, in een heroïes gebaar, hij zwaait z’n benen uit het bed & verlaat een minuut later met een bundeltje kleren de kamer.”  (p 59)

 
  “De gymnasiast gaat naast Sprits zitten & telt een aardig aantal bankbiljetten uit.

  “Ik heb er negentig. Geef je me vijf pakjes?”

  Sprits denkt aan alle gewassen automobielen, de gemaaide gazons, de krantewijken, het zakgeld, statiegeld & de zaterdagbaantjes. Hij ziet een paar duffe koppen s’ avonds in de rokerige herrie van een tiener-slaapkamer, terwijl hun ouders beneden zitten te bridgen & zegt.

  “Goed, jullie hebben niet veel. Hier.”

  Hij krijgt het geld & geeft de adolescent een paar pakjes heroïne, hij ziet hoe de scholier z’n gehavende & versierde agenda uit z’n tas trekt & onopvallend de vijf pakjes tussen een paar bladzijden legt.” (p 41/42)

De handel in heroïne concentreerde zich meer en meer in de Bunker. Dat bleek over een onbedoelde drempel voor beginnende gebruikers, zoals de scholier hiervoor, te beschikken. Dat had, vonden we toen, een preventief effect. Hoe meer de handel zich concentreerde in de bunker hoe hoger de drempel om als jongere met heroïne te beginnen. De volgende sfeertekening maakt dat duidelijk.

“Een cipiers-luikje schuift opzij & en een bruin oog kijkt door een vernauwde pupil naarbuiten. Grendelgeluiden. Bij de weg stopt een taxi, nog een bezoeker. De deur kreunt tot een grote kier & Jaap & Parcival staan oog in oog met een stoonde maleier.

                “Moi Phon Pen.”

Zegt Jaap, terwijl hij de lilliput-immigrant een rijksdaalder toesteekt, een gebaar dat ook door de nieuwkomer Matthijs wordt geïmiteerd.

  “Moi Jaap, Matthijs.”

  Zegt Phom Pen, die de deur achter hun sluit & weer z’n stoel ervoor schuift, zodat hij bij het kijkgaatje kan. Als portier & uitsmijter kent hij alle geregelde gasten hier, & hun straatvechters-truuks, & omdat hij in het witte poeder betaald wordt is dit baantje bij uitstek geschikt voor hem. Men lacht hem hier niet uit omdat hij zo klein is. “ (p 55)

En even later.

“De herrie is vreselijk. Overal gegil & geroep & de achtergrond-opera daar in volle sterkte overheen. Jaap & Parcival die zich op een klein achtergrondje houden zien zeker zes vetes uitgevochten. Messen stokjes, staven, sabels, wurgkoorden & werpsterren flitsen door de zaal, de biljartkeu breekt in iemands nek, de dokwerker zakt inelkaar, kledingstukken, ledematen & projektielen veroorzaken zonsverduistering in de betonnen bunker, & een bestierende hand laat dan de stoppen doorslaan zodat bij de verhitte zonen van het grote keizerrijk een relatieve kontemplatie van stilte & duisternis ontstaat.”  (p 57)

 In 2001 wordt de bunker in het radioprogramma OVT genoemd door één van de geïnterviewde heroïne verslaafden. Deze vertelt dat het centrum is gekraakt door een groep Surinamers en dat die tafeltjes verhuren aan dealers. (Spoor terug: Van opiumkit tot heroïnebunker deel I, uitgezonden op 3 juni 2001). Ook wordt door een deskundige verteld over de hepatitis-epidemie die in Groningen onder verslaafden heeft geheerst en die er voor zorgde dat velen behandeld moesten worden in het ziekenhuis. Dat was niet blij met de komst van deze groep patiënten.

 Het boekje staat nog vol met vermakelijke en illustratieve fragmenten, maar die kunt u beter tzt zelf lezen. Pieter Honhoff blijkt sinds 8 jaar in Australië te wonen en in een telefoongesprek dat ik onlangs met hem had liet hij me weten de volledige tekst aan me te zullen toesturen. Dat zal ik dan beschikbaar stellen voor geïnteresseerde lezers.



Jaren later heeft het Straathoekwerk samen met de Z-side de bunker, dat al weer jaren leeg stond,  te kraken. Tegenwoordig is de ruimte deels oefenruimte en een fietstunnel!

 

vrijdag 23 augustus 2013

De Spekclub


Bron: archief AVG/Groninger Archief
Al eerder schreef ik over de Droge Kroeg in Groningen. Bij het bestuderen van de vele jaarverslagen die in de Groninger Archieven worden bewaard stoot ik op het fenomeen van de spekclub.

Deze werd in 1923 opgericht en moet je enerzijds plaatsen tegen de achtergrond van De Droge Kroeg, waar tal van activiteiten plaatsvonden die de bezoekers ondersteunden in een alcoholvrij leven.
Anderzijds werd de oprichting van de spekclub ingegeven doordat heel veel bezoekers van De Droge Kroeg aangesloten waren bij één van de spekclubs die de kasteleins in Groningen organiseerden.

Dat werkte als volgt. Wekelijks legden de leden elk een kwartje in, om daarmee tegen kerst een vleespakket mee naar huis te kunnen nemen. Dat kwartje werd wekelijks naar het café gebracht en daarbij werd volgens het jaarverslag van 1923 van De Droge Kroeg natuurlijk ook gedronken en sommigen dronken meer dan dat kwartje. Maandelijks was er een vergadering en één keer per jaar bij de aankoop van de varkens een groot feest. Je raadt het wel, steeds werd er weer flink ingenomen.

Tegen deze achtergrond werd ook in De Droge Kroeg een spekclub opgericht die in het oprichtingsjaar al zoveel geld bijeen had gespaard dat daarvan 6 ½ varken kon worden gekocht. In het jaarverslag van 1928 staat dat de spekclub de laatste jaren tussen de 300 en 400 leden had. In 1928 werden maar liefst 50 varkens gekocht en ontving ieder lid ruim 30 pond vlees, spek en vet. Het succes van de spekclub werd overtroffen door de iets 'jongere' brandstoffenclub. Deze laatste had in 1937 1800 leden die gezamenlijk voor bijna 20.000 gulden inkochten; waarvan 981.610 kg zwarte brandstof.
Het aantal leden van de spekclub bedraagt in datzelfde jaar 55, die gezamenlijk 8 ½ varken konden inkopen. De teruggang van de spekclub wordt niet verklaard.

In de jaarverslagen van 1940 tot en met 1945 wordt vermeld dat het verenigingsleven erg te lijden had van de oorlogstoestand. Eind 1945 beleefde de spekclub een herstart en had al snel ruim 800 leden. In 1946 konden helaas nog geen varkens worden aangekocht, die waren er nog niet, en moest het gespaarde geld worden uitgekeerd. Bij velen rees twijfel of er in 1947 meer succes zou zijn en daardoor nam de animo sterk af. Dat trof ook de gehele Droge Kroeg, die alleen nog bezocht werd door een kleine groep trouwe oudere bezoekers. De aansluiting bij jongeren werd steeds minder. 
Het jaarverslag van 1948 begint met de mededeling dat De Droge Kroeg wordt stopgezet. Logisch lijkt dat daarmee ook een einde is gekomen aan de spekclub.

Zoekend op Internet tref je meerdere spekclubs buiten de stad Groningen aan: Bedum en omstreken,  Weiwerd, Harkstede-Scharmer. In de Trouw en Volkskrant van 7 december 2000 staat een interview met de beheerster van de spekclub in Wagenborgen, die vanaf 1933 bestaat. Al 21 jaar gaat ze maandelijks langs de 68 leden, maar steeds vaker zijn die niet thuis of hebben geen geld in huis. Met de invoering van de euro stopt ze ermee. De plaatselijke slager begrijpt dat, maar vindt het wel jammer dat hij daardoor ook de klandizie kwijt raakt.
Spekclubs zijn er nu nog in Ezinge, Warffum, Kommerzijl en in Sebaldeburen. De laatste laat op een facebook pagina weten dat ze in 2002 is gestart vanwege nostalgische gevoelens naar de tijd van de oude spekclub die eind jaren 70, begin jaren 80 verloren is gegaan. Deze spekclub nieuwe stijl heeft als doelstelling: kwaliteitsvlees van de slager voor supermarktprijzen. Bij de drie hier genoemde plaatsen neemt het jaarlijkse feest een belangrijke plaats in.

Zou er in deze tijd van toenemende armoede weer behoefte zijn aan het gezamenlijk sparen voor en goedkoop inkopen van bepaalde producten? Of is dat iets dat niet meer bij onze tijd past?

woensdag 6 maart 2013

De Droge Kroeg


In 1941 vierde De Droge Kroeg in Groningen haar 25 jarig bestaan. Via Internet heb ik bij het Groninger archief een bladzijde gevonden uit een langer document dat ons informeert over deze bijzondere mijlpaal.
Over wat de De Droge Kroeg was bericht ik hier, maar ook over de vele vragen die ik nog heb en waarvan ik hoop dat lezers van dit blog met antwoorden kunnen komen.
De Droge Kroeg is in 1915 opgericht als opvolger van een eerder initiatief van Jonkvrouwe de Ranitz.
 “In een kleine portaalkamer van de tóén nog achterbuurtachtige nauwe Kostersgang heeft mevrouw Jongvr. De Ranitz het prachtige initiatief genomen, om een Zondagsschool en bijeenkomsten te stichten voor de bewoners der achterbuurten”.
De medewerkers die genoemd worden zijn alle van adel. Zo lokten de dames van der Hoop- van Slochteren op zaterdagmiddagen de jeugd van straat met mandoline-spel en gezang. Wat een tijden waren dat toen, probeer nu nog maar eens op deze wijze de jeugd ergens naar binnen te lokken.
De werkzaamheden waren onder gebracht in de stichting “Het Chr. Geheel-Onthouders Gebouw”.
In 1915 ging het gebruik van het gebouw in de Kostersgang over in handen van de stichting “De Droge Kroeg”. Deze stichting exploiteerde een ruimte waarin men zo veel mogelijk de kroegsfeer wilde bewaren. Er kon worden gekaart, gelezen en gebiljart. Ook zijn op een foto van het archief mannen aan het dammen. Overigens komen op alle foto’s alleen maar mannen voor.


De Droge Kroeg heeft ook een hulpverlenende functie. In 25 jaar tijd hebben daarvan 2279 “patiënten” gebruik gemaakt, waarbij de bemoeienis bij meer dan de helft heeft geleid tot “grondige of algeheele genezing”.
Bijna 40% was in contact gekomen met De Droge Kroeg na een overtreding van het Wetboek van Strafrecht. Over de behandeling wordt het volgende vermeld:
“De therapie van “De Droge Kroeg” is: de drinkers ervan te overtuigen dat gezelligheid zonder alcohol bestáát en dat vermaak zonder alcohol mooier en rijker maakt”.
In zijn boek over de geschiedenis van drankgebruik en verslavingszorg voegt Jaap van der Stel aan deze gegevens geen andere toe. Ook op internet kan ik niets meer vinden.

Ik zal dus op een andere manier op zoek moeten naar de vele vragen die ik nog heb. Bijna op dezelfde plek in Groningen heeft het Leger des Heils nu een voorziening voor thuis- en daklozen. Was het Leger des Heils toen ook al eigenaar van De Droge Kroeg en heeft zij nu een nieuw pand op de plek van De Droge Kroeg?
Wanneer en waarom is De Droge Kroeg opgehouden te bestaan? Hoe ging het met dit initiatief tijdens de Duitse bezetting? 
In de jaren 20 ontstond het consultatiebureau voor alcoholisten in Groningen. Wat was de relatie van dit bureau met De Droge Kroeg?
Dit zijn misschien vragen waarop in het Groninger Archief het antwoord ligt. Mogelijk kunnen  ook lezers van dit artikel me helpen met het vinden van antwoorden.

Aardig is dat in De Droge Kroeg de sfeer van een café wordt na gebootst. In Groningen is al enkele jaren een zelfhulpgroep onder de naam InTact actief.
Hier nemen vooral jongere mensen met een verslavingsgeschiedenis aan deel. Uitgaan is voor veel van de deelnemers een belangrijk thema; maar de confrontatie met alcohol maakt het voor hen lastig om uit te gaan. Er is daarop het concept bedacht van een bruin café waarin geen alcohol geschonken wordt. Waar iedereen gezellig naar toe kan met of zonder een verslavingsgeschiedenis. Eigenlijk een beetje De Droge Kroeg.

Die naam heb ik hen ook eens voorgesteld. De naam kroeg viel niet in goede aarde. Was dat vroeger dan zo anders?

zondag 17 februari 2013

Van Volksbond naar Hoog Hullen

Onlangs bezocht ik een symposium georganiseerd door de Stichting Volksbond Rotterdam. Het was een alleraardigste en goede bijeenkomst. Let wel, het vond plaats in Amsterdam. Na de bijeenkomst hield professor Elske Derks haar oratie. Zij bezet een door deze Volksbond gefinancierd professoraat met als leeropdracht “Addiction Genetics”. Dezelfde Volksbond financiert ook een leerstoel in Rotterdam en richtte in 1988 het IVO (Instituut voor Verslavings Onderzoek).

Nu was ik op Internet weer eens op zoek naar de geschiedenis van de Noordelijke verslavingszorg, die ik zou willen laten beginnen bij de oprichting van Hoog-Hullen in 1891. Ik stuitte daarbij op een document dat de geschiedenis van de Amsterdamse Volksbond vertelt en hoe die geschiedenis verbonden is met de oprichting van Hoog-Hullen in Eelde. Daarover gaat deze bijdrage. De gegevens heb ik ontleend aan www.historici.nl .
De Volksbond is in 1875 in Amsterdam opgericht en  heet voluit: Volksbond, Vereeniging tegen drankmisbruik. Na meer dan 100 jaar, in 1989, wordt de Amsterdamse Volksbond pas weer opgeheven.

De bond komt voort uit een initiatief van de journalist L.P Philippona, die onder het pseudoniem Multapatior (betekent: ik lijd veel) schrijft en die in het Handelsblad oproept de bestrijding van alcoholmisbruik ter hand te nemen. Let op, het gaat hem niet om het bestrijden van elke vorm van drankgebruik maar uitsluitend om het tegengaan van het drankmisbruik!
Er wordt in Amsterdam zelfs toestemming gevraagd voor het oprichten van bierkiosken. Dat verzoek wordt overigens door gemeenteraard met één stem verschil afgeween. In de 19e eeuw staat er bij de vergaderingen van de Volksbond nog wijn op tafel.
Er komen zoveel reacties dat L.P. Phippona besluit een vereniging op te richten die aanvankelijk Multapiatorsbond genoemd wordt en bij de start 800 leden telt.


Deze Volksmond stelde zich ten doel: het misbruik van bedwelmende dranken en openbare dronkenschap te bestrijden. Zij richt zich daarmee op alcoholisten. Zij had een neutrale levensbeschouwing. Hoewel in Amsterdam opgericht, beschouwde ze het hele land als haar werkterrein. Als activiteiten worden de volgende genoemd:
  • het nemen van het initiatief tot oprichting van de Vereeniging tot Bevordering van het Herstel van Drankzuchtigen in 1890, die het sanatorium "Hoog-Hullen", één der eerste herstellingsoorden voor alcoholisten, oprichtte en in stand hield.
  • het geven van voorlichting over drankmisbruik, het stimuleren van allerlei vormen van volksonderricht en van (woning)bezit
  • het opzetten van het zogenaamde 'Toynbee' of buurthuiswerk
  • het bevorderen van de oprichting van Bondhuizen, van het laten rondrijden van koffiewagentjes, en het inrichten van koffiekiosken.
  • het zenden van adressen aan de kroon, waarin aangedrongen werd op een betere reglementering van het drankgebruik en de drankproductie, waarbij de strijd werd aangebonden met de jeneverproducenten en schenkers en gepleit werd voor de productie van goed en goedkoop bier als alternatief; waarbij geageerd werd tegen uitbetaling van lonen in kroegen, tegen te lange werktijden; hiertoe was de Volksbond zeer actief in de Centrale commissie tot drankwetherziening.
Een mooie opsomming van activiteiten die ons nu niet alle even duidelijk zijn. Wat heeft het buurtwerk ingehouden? En hoe moeten we het stimuleren van (woning)bezit in dit verband zien? Dan zegt ons de oprichting en instandhouding van Hoog-Hullen ons meer.

In zijn boek, Drinken drank en Dronkenschap; vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland, vermeldt Jaap van der Stel dat de Volksbond ook het initiatief nam voor het oprichten van alcoholvrije wachtlokalen en koffiehuizen.
Het enige nog bestaande alcoholvrije koffie huis is het Volkshuis in Zutphen. Jaap merkt hierbij op dat de Volksbond in het begin een scherp onderscheid maakte tussen bier, dat werd op één lijn gesteld met koffie en mocht geschonken worden, in tegenstelling tot sterke drank.

De Volksbond kende door het hele land afdelingen: als eerste die te Amsterdam, daarna Assen, Bussum, Den Haag, Deventer, Domburg (1901), Dordrecht, Druten, Haarlem, Heemstede, Hilversum, Hoorn, Joure, Leeuwarden, Loenen aan de Vecht, Maastricht, Muiden, Utrecht, Vlaardingen (1899) en Wijk bij Duurstede. Ook het Adresboek van Alkmaar 1900 vermeld een afdeling van de Volksbond.
Bijzonder was, dat de leden en activiteiten van de Volksbond in tegenstelling tot de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van alcoholhoudende Dranken, dat zij enige invloed uitoefende in het katholieke Zuiden, althans tot de komst van Kruisbond en andere rooms-katholieke drankbestrijdingsorganisaties.
De Volksbond had ook een koninklijk tintje getuige het feit dat Koningin Sophie en de prinsen Frederik en Hendrik tot de eerste  behoorden, die sympathie betuigden met de oprichting van de Volksbond.
In 1900 had de Volksbond ongeveer 8.000 leden verdeeld over 29 afdelingen. Het lidmaatschap legde geen verplichtingen (ge- of beloften) op, behalve de betaling van contributie.

In 1989 waren er nog slechts 200 leden over van de 40.000, die de landelijke Volksbond eens rijk was. In dat jaar besloot de direktie van de Volksbond, de nog overgebleven leden van de landelijke organisatie te bedanken voor hun trouwe steun. Een indirect lidmaatschap via één van de overgebleven afdelingen van de Volksbond behoort nog wel tot de mogelijkheden. De landelijke organisatie kent nu alleen nog het lidmaatschap van de afdelingen.
In het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam beschikt men over 3,5 meter materiaal over de Volksbond. Voor wie dat wil is er nog veel meer te vinden en te vertellen over de Volksbond.

Via Google kom je weer een nieuwe Volksbond in Amsterdam tegen. De Stichting  Volksbond Amsterdam richt zich op de opvang van thuis- en daklozen. De naam is vast niet toevallig gekozen. Ook in Amsterdam is nu in één van de koffiehuizen van de Volksbond een restaurant gevestigd.


zaterdag 2 februari 2013

Een kwaliteitscontrole voor illegale drugs...


Een kwaliteitscontrole voor heroïne is wat ondergetekende en collega Ria Struijk, beiden werkzaam bij Het Straathoekwerk, vragen in dit artikel dat op 18 oktober 1979 verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden. Dagelijks op straat zijn met verslaafden maakte een dergelijke hele praktische wens heel gewoon, wel voor ons en de verslaafden, maar niet voor iedere andere burger en zeker niet voor de reguliere verslavingszorg. Deze bestond toentertijd uit de stichting Nieuw Hoog-Hullen  en het Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs (CAD) Groningen. Ook de GGD vervulde een functie.
Ik zie nu dat we toch niet durfden te onthullen hoe we dat nu precies deden, die kwaliteitscontrole. Ik zal dat, 34 jaar later, alsnog doen aan de hand van mijn eigen ervaring.

We hadden een paar pakjes heroïne gekocht en die bracht ik met de auto naar een aan ons bevriende apotheek. Dat was een spannend ritje, want een vergunning om heroïne in ons bezit te hebben of te vervoeren hadden we niet. Het was extra spannend omdat al in het begin van de rit vanuit het centrum een politie-auto achter me ging rijden en dat bleef volhouden tot vlak bij de apotheek, in een buitenwijk. Daar aangekomen overhandigde ik de ingekochte heroïne aan de apotheker. Deze bracht het weer naar een laboratorium van wat nu het UMCG is. Na enige tijd, ik weet niet meer hoe lang, kregen we de uitslag.

Meestal bevatte zo’n pakje 25 – 40% zuivere heroïne. Om flinke winsten te kunnen maken wordt de zuivere heroïne door de verschillende tussenhandelaren vermengd met goedkope stoffen. Dit percentage was niet ongebruikelijk in Nederland in die tijd. Er werd toen in Nederland aanzienlijk betere heroïne verkocht dan in New York, waar de pakjes meestal maar zo’n 5% zuivere heroïne bevatten.
Het nut van de controle van de kwaliteit van de heroïne bewees zich korte tijd later heel duidelijk. De handel in heroïne was toentertijd veelal in handen van mensen van Nederlandse en Surinaamse komaf. Begin jaren 80 wilden Turkse handelaren die markt overnemen. Daarvoor gebruikten ze een eenvoudig economische principe: meer waar voor dezelfde prijs. Elk pakje bevatte toen wel 80% zuivere heroïne. Gebruikers die door bijvoorbeeld een korte detentie niet goed op de hoogte waren van deze kwaliteitsverbetering namen nog hun oude hoeveelheid heroïne in (er werd nog veel geïnjecteerd en dan kun je niet goed doseren als het effect anders blijkt te zijn) en kregen daardoor een overdosis. Enkelen hebben dit zelfs met hun leven moeten bekopen.

Het Nederlandse drugbeleid volgt nog steeds de war on drugs van de VS en daardoor kan de markt alleen voorzien worden van illegale drugs en dat maakt kwaliteitscontrole nog steeds erg noodzakelijk. Gelukkig is er op dat vlak veel verbeterd, doordat er overal in het land testmogelijkheden zijn gekomen, waar consumenten hun gekochte drugs op kwaliteit kunnen laten testen.
 

vrijdag 1 februari 2013

Opstand in Huis van Bewaring in Groningen; een vervolg in 1977 in Assen.

In 1971 vond de eerste opstand in het Huis van Bewaring in Groningen plaats en in 1974 de tweede. Bij deze laatste opstand was het Huis van Bewaring zo beschadigd geraakt dat het voorlopig niet meer te gebruiken was. Het Huis van Bewaring in Assen, dat kort daarvoor vanwege zijn monumentale status was gesloten, werd heropend.

Ik had na de tweede opstand de rechtszitting daarover, als student Sociale Psychologie, met een aantal mede studenten gevolgd. We maakten allen deel uit van de studiegroep Sociale Deviantie en hadden belangstelling gekregen voor het gevangeniswezen en haar bewoners. Eerst zagen we de film Attica over de grote gevangenisopstand in de staat New York in de VS. Deze opstand was het gevolg van de voortdurende en oplopende spanningen tussen de bewakers met een plattelandsachtergrond en de gevangenen met een grote stad achtergrond. We zagen daarin enige gelijkenis met de Nederlandse situatie in Veenhuizen. Het volgen van de rechtszitting in Groningen was onze tweede confrontatie met een gevangenisopstand. Deze had wel een veel milder karakter dan die in Attica. De rechtszitting duurde de gehele dag en was zeer interessant, temeer daar wij ons als bezoekers in het gezelschap bevonden van de dominee, Wichert Hoekert, na wiens kerkdienst de opstand was begonnen. Hij kon de verhalen en ook de beelden, aanvullen met interessante inside informatie. Ik ben later bevriend met hem geraakt. Aan deze vriendschap kwam helaas in 2006 een eind door zijn plotselinge overlijden.
In 2004 ging Wichert Hoekert met pensioen en voor zijn afscheid hebben vrienden een Liber Amicorum geschreven met als titel “Verhalen”. Uit mijn bijdrage daaraan put ik over de dreigende opstand in het Huis van Bewaring in Assen in 1977 waarover ik hier vertel.

De directeur van het Huis van Bewaring in Groningen en later ook van het Huis van Bewaring in Assen vermoedde dat Wichert Hoekert achter de opstand in 1974 zat en wilde graag van hem af. In 1976 zag hij zijn kans schoon toen hij een beoordeling over hem naar het Ministerie van Justitie moest sturen. Hij opent zijn brief aan de staatssecretaris van Justitie van 3 november 1976 met:

“Naar aanleiding van Uw bovenaangehaald schrijven, heb ik de eer Uw Excellentie te berichten, dat ik het helaas niet eens kan zijn, met uw voornemen tot aanstelling in vaste dienst van Ds. W.J.H. Hoekert.”
Ter motivering van zijn standpunt voert de directeur onder andere het volgende aan:

“Zijn wijze van functioneren in deze inrichting zou nog te accepteren zijn van een dominee, die voorganger is van een gemeente buiten en zo nu en dan deze inrichting zou bezoeken, om de geestelijke nood van de gedetineerden te lenigen, kerkdienst zou houden en mogelijk een spreekuur. Dan zou het gebrek aan realiteitszin en het gebrek aan mensenkennis, hoogst waarschijnlijk minder storend werken dan nu, waar bij een confrontatie duidelijk irritaties worden opgewekt bij directie en medewerkers door de kennelijke naïviteit, waarmede problemen en voorstellen worden ingebracht.”  
En even verder:
"Hij vindt elke gedetineerde leuk, lief en aardig, hetgeen helaas in vele gevallen anders is."
En:        
“Als geestelijk verzorger beantwoordt hij niet aan het verwachtingspatroon, dat gedetineerden en personeel van een geestelijk verzorger hebben.”
Nu zult u zich afvragen hoe wij toch over zo veel informatie uit een vertrouwelijke brief met een beoordeling van een medewerker beschikken.

Daarvoor moeten we even terug gaan in de tijd. In 1976 kon je als gedetineerde “het baantje” reiniger verwerven. Ik geloof een gewild baantje, omdat je dan behoorlijk wat bewegingsvrijheid had. Iets wat we tegenwoordig niet meer kennen is carbonpapier. Dat werd gebruikt om van een brief een kopie te maken. Je kon dat soms wel meerdere keren gebruiken, maar ook direct weg gooien.
De directeur van het Huis van Bewaring had voor zijn brief carbonpapier gebruikt en (later) weg gegooid. De gedetineerde die destijds reiniger was, was kennelijk een nogal nieuwsgierig type. Dus hij gooide de inhoud van de prullenbak van de directeur pas weg na de inhoud goed bekeken te hebben. Hij kon op het stuk carbonpapier de gehele inhoud van de brief van de directeur over de dominee lezen en was ronduit geschokt. Hij stak het stuk bij zich en nam het mee naar de luchtplaats om het de andere gedetineerden te tonen en er met hen over te praten. Eén van hen heeft de moeilijk leesbare brief van het carbonpapier over getypt. Vervolgens hebben de gedetineerden op 14 januari 1977 gezamenlijk een brief opgesteld, gericht aan de staatssecretaris van Justitie. Deze brief eindigt met:

“Wij kunnen ons best voorstellen dat de direkteur vindt dat wij slechts tuchtiging verdienen. Wij kunnen aanvaarden dat de direkteur ons geen goeie dominee gunt. Maar het wekt onze afkeer op dat de dominee met alle middelen, zelfs grove leugen(s), wordt zwart gemaakt.
Wij hopen dat U onze onmacht kunt compenseren.
                                                          
                                                                                Met de meeste hoogachting,”
Het trof dat onze reiniger, Hans J uit Groningen, vrij kwam. Hij had beide brieven bij zich en kon toelichten dat er een grimmige sfeer onder de gedetineerden heerste.
Wij maakten dat wereldkundig als een dreigende opstand in het Huis van Bewaring en dat leidde tot veel media-aandacht, waaronder het NOS-journaal, toen nog gepresenteerd door Frits Bon. Hij ging er ook zelf als verslaggever op uit, onder andere om ondergetekende te interviewen. Ik moet nog een beetje lachen als ik weer voor me zie hoe Frits Bon met ferme stappen naar het Huis van Bewaring loopt en probeert brutaal naar binnen te stappen en dan ontdekt dat de voordeur niet meegeeft.

De toenmalige staatssecretaris van Justitie Zeevalking reisde af naar Assen en heeft volgens een verslag dat de gedetineerden daarover maakten ook overleg met hen. Uiteindelijk kreeg Wichert Hoekert zijn vaste aanstelling  en vertrok later op eigen initiatief naar de Bijlmer bajes in Amsterdam, waar hij tot zijn pensionering gevangenisdominee bleef.
De directeur moest een aantal jaren later (1983) vertrekken.

Bij de receptie ter gelegenheid van de pensionering van Wichert Hoekert werd me pas duidelijk hoe veel en op welk hoog niveau er was overlegd tussen kerkelijke vertegenwoordigers en het Ministerie van Justitie.
Hoe zou het nu met Hans J zijn?